Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
56 Ten tweede mogen de lidstaten krachtens artikel 4, lid 1, van richtlijn 2011/95 van de verzoeker verlangen dat hij alle elementen ter staving van zijn verzoek om internationale bescherming zo spoedig mogelijk indient. Dit neemt niet weg dat de lidstaten in voorkomend geval actief met hem moeten samenwerken om de relevante elementen van zijn verzoek te bepalen en aan te vullen [zie in die zin arrest van 3 maart 2022, Secretary of State for the Home Department (Vluchtelingenstatus van een staatloze van Palestijnse afkomst), C‑349/20, EU:C:2022:151, punt 64]. Indien de lidstaten van de door dit artikel 4 geboden Pro mogelijkheid gebruikmaken, bepaalt lid 5 ervan voorts dat de verzoeker ondanks het eventuele ontbreken van bewijsmateriaal voor een aantal van zijn verklaringen geloofwaardig wordt geacht, en hem het voordeel van de twijfel wordt gegund, wanneer aan alle in dit lid 5 genoemde voorwaarden voldaan is. Tot deze voorwaarden behoren het feit dat de verklaringen van de verzoeker samenhangend en aannemelijk zijn en het feit dat de verzoeker in grote lijnen geloofwaardig is [zie in die zin arrest van 21 september 2023, Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (Politieke overtuiging in de lidstaat van ontvangst), C‑151/22, EU:C:2023:688, punt 44].
57 Het Hof heeft dienaangaande verduidelijkt dat de verklaringen van een persoon die om internationale bescherming verzoekt, slechts het uitgangspunt vormen van de procedure ter beoordeling van de feiten en omstandigheden die wordt gevoerd door de bevoegde autoriteiten, die vaak gemakkelijker toegang hebben tot bepaalde soorten documenten dan de verzoeker [zie in die zin arresten van 22 november 2012, M., C‑277/11, EU:C:2012:744, punten 65 en 66; 19 november 2020, Bundesamt für Migration und Flüchtlinge (Militaire dienst en asiel), C‑238/19, EU:C:2020:945, punt 52, en 9 november 2023, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Begrip „ernstige schade”), C‑125/22, EU:C:2023:843, punt 47].
58 Het zou dus in strijd zijn met artikel 4 van Pro richtlijn 2011/95 om te oordelen dat het noodzakelijkerwijs uitsluitend aan de verzoeker staat om alle elementen te verstrekken ter staving van de redenen voor zijn verzoek om internationale bescherming – namelijk ten eerste het feit dat hij in zijn land van herkomst mogelijk zal worden beschouwd als lid van een specifieke sociale groep in de zin van artikel 10, lid 1, van deze richtlijn, en ten tweede dat hij in dat land om die reden dreigt te worden vervolgd [zie in die zin arrest van 19 november 2020, Bundesamt für Migration und Flüchtlinge (Militaire dienst en asiel), C‑238/19, EU:C:2020:945, punten 54 en 55].
77 Bovendien moet worden opgemerkt dat de lidstaten, los van de inaanmerkingneming van de door de verzoeker verstrekte informatie, gehouden zijn een verzoeker niet aan de verantwoordelijke lidstaat over te dragen wanneer zij niet onkundig kunnen zijn van het feit dat de structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor personen die om internationale bescherming in deze lidstaat verzoeken ernstige, op feiten berustende gronden vormen om aan te nemen dat de asielzoeker een reëel risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van Pro het Handvest (zie in die zin arresten van 21 december 2011, N. S. e.a., C‑411/10 en C‑493/10, EU:C:2011:865, punt 94, en 19 maart 2019, Jawo, C‑163/17, EU:C:2019:218, punt 85). Aldus kan niet worden uitgesloten dat de lidstaat die met het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat is belast, uit eigen beweging rekening zal moeten houden met relevante informatie waarvan hij kennis heeft om te beslissen over de toepassing van artikel 3, lid 2, tweede alinea, van de Dublin III-verordening.
78 Hieruit volgt ten eerste dat de lidstaat die is belast met het bepalen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming van een derdelander rekening moet houden met alle informatie die hem door deze derdelander wordt verstrekt en die relevant is om op correcte wijze de verantwoordelijke lidstaat te bepalen, met name wat betreft het eventuele bestaan van een risico van een met artikel 4 van Pro het Handvest strijdige behandeling in geval van overdracht van deze verzoeker. Ten tweede moet de betrokken lidstaat meewerken aan de vaststelling van de feiten door te beoordelen of dit risico reëel is, op basis van objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens en afgemeten aan het beschermingscriterium van de door het Unierecht gewaarborgde grondrechten. In voorkomend geval moet deze lidstaat hierbij op eigen initiatief rekening houden met relevante informatie waarvan hij niet onkundig kan zijn met betrekking tot mogelijke structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor personen die in de verantwoordelijke lidstaat om internationale bescherming verzoeken.
Een asielmotief is een onderwerp of verhaallijn in het asielrelaas (…) Hieronder vallen de feiten en omstandigheden die voor de vreemdeling reden vormen voor het aanvragen van bescherming”, er op duidt dat verweerder méér beoordeelt dan de motieven die de vreemdeling zelf uit zijn relaas destilleert om zijn asielaanvraag te onderbouwen.