ECLI:NL:RBDHA:2023:8929

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 februari 2023
Publicatiedatum
21 juni 2023
Zaaknummer
NL23.3413
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vreemdelingenwet 2000Art. 96, derde lid, Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring beroep tegen voortduren maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet

Eiser is op 11 november 2022 onderworpen aan een maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Hij heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep inhoudelijk beoordeeld zonder zitting.

Eiser voerde aan dat er geen redelijk vooruitzicht op uitzetting naar Marokko bestaat, omdat de Marokkaanse autoriteiten niet tijdig hebben gereageerd op de aanvraag voor een laissez passer. Daarnaast stelde hij dat verweerder niet voortvarend heeft gehandeld bij de uitzettingsprocedure.

De rechtbank verwijst naar een eerdere uitspraak waarin is vastgesteld dat de maatregel tot het sluiten van het onderzoek rechtmatig was. De rechtbank volgt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State die oordeelde dat het zicht op uitzetting naar Marokko in beginsel aanwezig is. De niet-reagerende houding van de Marokkaanse autoriteiten sluit niet uit dat alsnog een laissez passer wordt verstrekt. Verweerder heeft regelmatig contact onderhouden met de autoriteiten en met eiser.

De rechtbank is van oordeel dat de maatregel van bewaring rechtmatig blijft en verklaart het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt eveneens afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL23.3413
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M.H.K. van Middelkoop),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. M. Lorier).

Procesverloop

Verweerder heeft op 11 november 2022 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. Vervolgens heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Eiser stelt dat hij de Marokkaanse nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [geboortedatum] 1982.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 24 november 2022 (in de zaak NL22.23062) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die
uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek de maatregel van bewaring rechtmatig is.
4. Eiser voert aan dat er geen redelijk vooruitzicht op uitzetting is. Het verlopen paspoort van eiser is bij de aanvraag voor een laissez passer (lp) ingediend op 24 november 2022 en de Marokkaanse autoriteiten hebben geen reactie gegeven terwijl ze op 23 december 2022 hadden aangegeven dat zij er op terug zouden komen in de eerste week van januari 2023. Daarnaast meent eiser dat verweerder niet voortvarend gewerkt heeft aan zijn uitzetting nu pas op 30 januari 2023 door de regievoerder geïnformeerd zou gaan worden bij de Marokkaanse autoriteiten naar de reactie betreffende het intern overleg. Vervolgens blijkt uit de voortgangsgegevens niet of dit nu gedaan is en wat de uitslag hiervan is.
5. De rechtbank volgt eiser niet in zijn beroepsgronden. In de uitspraak van 14 november 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:3269) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geoordeeld dat het zicht op uitzetting naar Marokko in beginsel aanwezig is. In de zaak van eiser hebben de Marokkaanse autoriteiten niet kenbaar gemaakt dat ten behoeve van diens voorgenomen uitzetting geen lp zal worden verstrekt. Dat de Marokkaanse autoriteiten tot op heden niet hebben gereageerd, sluit zeker niet uit dat de Marokkaanse autoriteiten alsnog tot lp-verstrekking zullen overgaan. In de tussentijd heeft verweerder gedaan wat redelijkerwijs van verweerder mag worden verwacht. Verweerder heeft ongeveer om de drie weken gerappelleerd, laatstelijk op 12 januari 2023, 30 januari 2023 en 6 februari 2023. Daarnaast voert verweerder periodiek een vertrekgesprek met eiser, laatstelijk op 12 januari 2023. De beroepsgronden slagen daarom niet.
6. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank niet van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Verduijn, rechter, in aanwezigheid van
N.J.R. Kalaykhan, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
13 februari 2023

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.