Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen omdat Bulgarije verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening. Verzoeker verzocht om een voorlopige voorziening zodat hij niet wordt overgedragen voordat op het beroep is beslist.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de spoedeisendheid is gegeven omdat het beroep niet binnen de overdrachtstermijn kan worden afgehandeld. Het belang van verzoeker om in Nederland op het beroep te wachten weegt zwaarder dan het belang van de staatssecretaris om de overdracht te effectueren.
De rechtbank houdt het met deze zaak samenhangende beroep aan in afwachting van een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak over het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Bulgarije. De voorzieningenrechter wijst daarom het verzoek toe, schorst het bestreden besluit en bepaalt dat verzoeker niet mag worden overgedragen totdat op het beroep is beslist.
Daarnaast wordt de staatssecretaris veroordeeld in de proceskosten van verzoeker ter hoogte van € 837. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.