ECLI:NL:RBDHA:2023:8655
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring wegens beëindigd verblijfsrecht
Eiser, met de Poolse nationaliteit, werd op 15 april 2023 strafrechtelijk aangehouden wegens overtreding van de APV en vervolgens overgedragen aan de vreemdelingenpolitie vanwege het ontbreken van rechtmatig verblijf. De maatregel van bewaring werd opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000.
Eiser voerde meerdere beroepsgronden aan, waaronder onrechtmatigheid van de staandehouding en ophouding, onvolledig en onzorgvuldig horen, onjuiste grondslag van de maatregel, onvoldoende voortvarendheid bij uitzetting, en het niet toepassen van een lichter middel. De rechtbank oordeelde dat de staandehouding en ophouding rechtmatig waren, het gehoor zorgvuldig en volledig, en de maatregel gebaseerd was op een juiste en tijdig aan het dossier toegevoegde beschikking tot beëindiging van het verblijfsrecht.
De rechtbank stelde vast dat het risico op onderduiken aanwezig was op basis van zware gronden en dat verweerder voldoende voortvarend had gehandeld bij de uitzetting. Tevens was de belangenafweging met betrekking tot het niet toepassen van een lichter middel adequaat gemotiveerd. De stellingen van eiser werden onvoldoende onderbouwd geacht.
Op grond van de ambtshalve rechtmatigheidstoetsing concludeerde de rechtbank dat de maatregel niet onrechtmatig was en verklaarde het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.