Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser], eiser
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
fair balance). Omdat verweerder hierbij enige mate van beoordelingsruimte (
margin of appreciation) heeft, toetst de rechtbank dit enigszins terughoudend.
Belangenafweging
fair balanceen overweegt daartoe als volgt.
Nunez tegen Noorwegen) en van 3 oktober 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:1003JUD001273810 (
Jeunesse tegen Nederland). Eisers verblijfsrecht is met ingang van 13 november 2019 precair aangezien toen zijn relatie met [ex-echtgenote] is geëindigd. Daarvóór heeft eiser echter sinds 9 juli 2016 rechtmatig verblijf gehad in Nederland. In het bestreden besluit is ten onrechte niet onderkend dat deze periode ten volle in het voordeel van eiser meeweegt. Ook is in het bestreden besluit ten onrechte niet onderkend welk aandeel verweerder heeft gehad in de periode waarin eisers verblijfsrecht precair was. In dat kader stelt de rechtbank vast dat verweerder pas na bijna elf maanden na eisers zienswijze op het voornemen het primaire besluit heeft genomen en dat verweerder pas na ruim acht maanden op het bezwaar heeft beslist. Dat besluit van verweerder hield in beroep geen stand, waardoor het nog eens acht maanden duurde voordat er opnieuw op het bezwaar werd beslist. Dat eiser verder privéleven heeft opgebouwd tijdens een precair verblijfsrecht, kan daarom maar zeer ten dele in zijn nadeel worden meegewogen.
Rodrigues da Silva en Hoogkamer tegen Nederland). Dit is ook overgenomen in verweerders Werkinstructie 2020/16. Verweerder heeft daarom ten onrechte overwogen dat eisers stelling, dat hij in Somalië zal worden vervolgd omdat hij verwesterd is, alleen in een asielprocedure aan de orde kan komen. Daarmee heeft verweerder namelijk ten onrechte nagelaten om te beoordelen of er in het geval van eiser sprake is van een objectieve belemmering voor uitoefening van het privéleven in Somalië.
fair balancegemaakt tussen eisers belang bij uitoefening van zijn privéleven in Nederland en het belang van de Nederlandse staat bij de handhaving van het toelatingsbeleid. Het bestreden besluit is daarom in strijd met artikel 3:2 (zorgvuldigheidsvereiste) en 7:12 (motiveringsvereiste in bezwaar) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd.