Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[Naam], eiser
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
www.rechtspraak.nl.
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Syrische jongvolwassene, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor nareis bij zijn moeder, die in Nederland een verblijfsvergunning voor asiel had gekregen. De aanvraag werd afgewezen omdat deze niet binnen de wettelijke termijn van drie maanden na verlening van de verblijfsvergunning van de moeder was ingediend en omdat eiser reeds zonder rechtmatig verblijf in Nederland verbleef.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de aanvraag tijdig was ingediend, ondanks e-mailcorrespondentie waarin werd gesteld dat de aanvraag aangetekend was verzonden. Ook werd geoordeeld dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was, ondanks de coronapandemie en de afhankelijkheid van hulp van VluchtelingenWerk Nederland, mede omdat de moeder tijdig was geïnformeerd over de termijn.
Verder wees de rechtbank erop dat verweerder terecht had gewezen op de mogelijkheid om alsnog een verblijfsvergunning voor het verblijfsdoel 'familie en gezin' aan te vragen op grond van artikel 8 EVRM Pro met vrijstelling van het mvv-vereiste. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en verweerder hoefde geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de nareisaanvraag wordt ongegrond verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding.