Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiseres,
[naam],
Rechtbank Den Haag
Eiseres diende op 4 april 2022 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Na het uitblijven van een besluit stelde zij de staatssecretaris op 6 oktober 2022 in gebreke wegens het niet tijdig beslissen. Vervolgens stelde zij op 21 oktober 2022 beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
De staatssecretaris had de beslistermijn van zes maanden, die op 3 oktober 2022 zou aflopen, met negen maanden verlengd op grond van artikel 42, vierde lid, van de Vreemdelingenwet 2000, vanwege een groot aantal gelijktijdige aanvragen. Deze verlenging werd door de rechtbank bevestigd als rechtsgeldig.
De rechtbank oordeelde dat de ingebrekestelling van 6 oktober 2022 prematuur was omdat de verlengde beslistermijn nog niet was verstreken. Hierdoor voldeed het beroep niet aan de vereisten van artikel 6:12, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en verklaarde de rechtbank het beroep kennelijk niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens prematuur ingediende ingebrekestelling.