Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
Kamerstukken II2005-2006, 29 934 en 30 435, nr. 19, pagina 10).
Rechtbank Den Haag
Eiser stelde beroep in tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van oktober 2020. Nadat de staatssecretaris in december 2022 het asielverzoek had ingewilligd, handhaafde eiser het beroep en diende aanvullende gronden en een wrakingsverzoek in. De wrakingskamer verklaarde het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk.
De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen daarmee zijn doel heeft verloren en dat eiser geen procesbelang meer heeft. De rechtbank onderzoekt vervolgens of bestuurlijke dwangsommen zijn verbeurd en of eiser recht heeft op schadevergoeding. De Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND sluit toepassing van dwangsommen op asielbesluiten uit, wat door de Afdeling bestuursrechtspraak is bevestigd.
Eiser vordert schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn en gemiste rechterlijke dwangsommen. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn van twee jaar nog niet is verstreken en dat eiser geen recht heeft op schadevergoeding. Ook de stelling dat eiser 1500 euro aan dwangsommen is misgelopen wordt verworpen. Het beroep wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van eiser.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag wordt niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.