ECLI:NL:RBDHA:2023:7293

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 mei 2023
Publicatiedatum
22 mei 2023
Zaaknummer
NL23.4632
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens gebrek aan procesbelang bij asielaanvraag

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om haar asielaanvraag af te wijzen als kennelijk ongegrond. Tijdens de zitting op 15 mei 2023 was eiseres en haar gemachtigde afwezig, terwijl de verweerder zich liet vertegenwoordigen.

De rechtbank onderzocht of eiseres nog procesbelang had bij haar beroep. Uit stukken bleek dat eiseres sinds 28 maart 2023 zelfstandig haar woonruimte had verlaten en inmiddels in Duitsland verbleef, waar zij ook een asielaanvraag had ingediend. Haar gemachtigde gaf aan geen contact meer met haar te hebben.

De rechtbank concludeerde dat eiseres geen prijs meer stelde op een inhoudelijke behandeling van haar asielaanvraag in Nederland en daarom geen belang meer had bij het beroep. Het beroep werd niet-ontvankelijk verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep van eiseres is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.4632
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiseres

v-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. S. Selbach),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. C.H.H.P.M. Kelderman).

ProcesverloopBij besluit van 10 februari 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 15 mei 2023 op zitting behandeld. Eiseres en haar gemachtigde zijn niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Overwegingen

1. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of eiseres nog procesbelang heeft bij haar beroep.
2. Bij brief van 5 april 2023 heeft verweerder de rechtbank meegedeeld dat eiseres met onbekende bestemming is vertrokken. Daarbij heeft verweerder een schermafdruk overgelegd van zijn systeem. Hieruit blijkt dat eiseres met ingang van 28 maart 2023 zelfstandig de woonruimte heeft verlaten. Bij bericht van 25 april 2023 heeft gemachtigde van eiseres desgevraagd medegedeeld dat zij geen contact meer heeft met eiseres.
3. Verder blijkt uit de overgelegde stukken dat eiseres momenteel in Duitsland verblijft en dat zij daar een asielaanvraag heeft ingediend. Uit het feit dat zij daar ook een asielaanvraag heeft ingediend, leidt de rechtbank af dat eiseres geen prijs meer stelt op een inhoudelijke behandeling van haar asielaanvraag in Nederland.
4. Uit het voorgaande moet dan ook worden afgeleid dat eiseres kennelijk geen prijs meer stelt op asielrechtelijke bescherming in Nederland nu zij met onbekende bestemming is vertrokken, geen contact meer onderhoudt met haar gemachtigde en een asielaanvraag in Duitsland heeft ingediend. Eiseres heeft daarom geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het door haar ingestelde beroep tegen het bestreden besluit. [1]
5. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2023 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. S.C. Spruijt, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.

Voetnoten

1.Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:579.