ECLI:NL:RBDHA:2023:5833

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 april 2023
Publicatiedatum
24 april 2023
Zaaknummer
NL23.2256
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing opvolgende asielaanvraag van een Pakistaanse vrouw met psychische klachten en de rol van Bureau Documenten

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 18 april 2023 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke procedure betreffende de opvolgende asielaanvraag van eiseres, een Pakistaanse vrouw die eerder asiel had aangevraagd. Eiseres heeft in haar aanvraag gesteld dat zij als christen in Pakistan wordt vervolgd en dat zij psychische klachten heeft, waaronder PTSS en depressie, die haar vermogen om coherent te verklaren beïnvloeden. De rechtbank heeft vastgesteld dat de eerdere asielaanvragen van eiseres zijn afgewezen, waarbij verweerder de verklaringen van eiseres ongeloofwaardig achtte. In de huidige procedure heeft eiseres nieuwe documenten overgelegd ter ondersteuning van haar aanvraag, waaronder een overlijdensakte van haar zoon en een aangifte van mishandeling van haar echtgenoot. Verweerder heeft deze documenten echter als onvoldoende beoordeeld en de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.

De rechtbank heeft in haar overwegingen benadrukt dat verweerder niet voldoende rekening heeft gehouden met de iMMO-rapportage, die concludeert dat de psychische klachten van eiseres haar verklaringsvermogen beïnvloeden. De rechtbank oordeelt dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid, omdat verweerder had moeten onderzoeken of het verantwoord was om eiseres te horen zonder voorafgaand medisch onderzoek. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen, waarbij de inhoud van het iMMO-rapport in de beoordeling moet worden betrokken. Tevens wordt verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiseres.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.2256

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiseres

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. T. Thissen),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. N. Hamzaoui).

ProcesverloopBij besluit van 18 januari 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de opvolgende asielaanvraag van eiseres afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 23 maart 2023 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen S. Singh. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedag] 1953 en heeft de Pakistaanse nationaliteit. Zij heeft op 2 december 2015 een eerste asielaanvraag ingediend. Hieraan heeft eiseres ten grondslag gelegd dat zij christen is en als gevolg daarvan problemen ondervindt in Pakistan. Haar zoon en kleindochter zijn in 2010 vermoord door moslimmannen. Vervolgens is eiseres door dezelfde mannen bedreigd, mishandeld en verkracht. In januari 2013 is haar huis in brand gestoken. Nadat eind 2013 een fatwa over eiseres is uitgesproken, is zij in 2014 ondergedoken. Eind november 2015 heeft zij, met achterlating van haar echtgenoot, Pakistan verlaten. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 25 september 2019 afgewezen als ongegrond. Daarbij is het asielrelaas van eiseres ongeloofwaardig bevonden omdat zij vaag, summier, tegenstrijdig en ongerijmd over haar problemen heeft verklaard. Dit besluit is onherroepelijk. Op 7 maart 2018 heeft eiseres een eerste opvolgende asielaanvraag ingediend. Daarbij heeft zij een medische onderzoeksrapportage van 9 februari 2018 van iMMO [1] overgelegd waarin wordt geconcludeerd dat eiseres psychische klachten heeft, bestaande uit PTSS en depressie, die typerend zijn voor de kern van het asielrelaas van eiseres. Ook wordt daarin geconcludeerd dat de psychische klachten en de cognitieve problemen van eiseres zeker interfereerden met het doen van een compleet, coherent en consistent asielrelaas. Deze aanvraag is afgewezen bij besluit van 1 november 2018. Ten aanzien van het iMMO-rapport heeft verweerder, onder verwijzing naar de op dat moment geldende rechtspraak van de Afdeling, in dat besluit overwogen dat aan het rapport niet de betekenis toekomt die eiseres daaraan hecht omdat uit het rapport niet blijkt op welke onderdelen van het relaas de beperking om consistent en coherent te verklaren, betrekking heeft gehad. Bij uitspraak van 30 november 2018 [2] heeft deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 20 december 2019 [3] heeft de Afdeling het hoger beroep ongegrond verklaard.
Huidige procedure
2. Op 21 december 2020 heeft eiseres haar huidige asielaanvraag ingediend. Haar vluchtmotieven zijn gelijkluidend aan de motieven die zij in de eerdere asielprocedures naar voren heeft gebracht. In het gehoor opvolgende aanvraag heeft eiseres daaraan toegevoegd dat haar echtgenoot op 15 mei 2017 is mishandeld en dat haar kleinzoons [naam kleinzoon 1] en [naam kleinzoon 2] op verschillende momenten zijn aangevallen, steeds door dezelfde moslimmannen als die verantwoordelijk waren voor de dood van haar zoon en het tegen eiseres gepleegde geweld toen zij nog in Pakistan verbleef.
3. Eiseres heeft bij haar aanvraag verschillende (deels nieuwe) documenten overgelegd, zoals een gelegaliseerde (duplicaat-)overlijdensakte van haar zoon en een kopie van een aangifte van mishandeling van haar echtgenoot overgelegd. Ook heeft zij een rapport van Christoph Bluth, hoogleraar ‘International Relations and Security’ aan de Universiteit van Bradford ingebracht, waarin kritiek wordt geuit op de bevindingen van Bureau Documenten met betrekking tot de door eiseres overgelegde overlijdensakte. Verder heeft eiseres foto’s van verwondingen bij haar echtgenoot en kleinkinderen, een brief van de ‘New Bethel Church’, een brief van advocaat Saleem Michael en een rapport van Human Rights Watch overgelegd.
4. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres inhoudelijk beoordeeld en afgewezen als kennelijk ongegrond. De identiteit, nationaliteit en herkomst acht verweerder geloofwaardig. Dat geldt ook voor de verklaring van eiseres dat zij christen is. Verweerder vindt de verklaringen van eiseres over de problemen die zij en haar familieleden van de zijde van moslimmannen hebben ondervonden, echter nog steeds ongeloofwaardig. De documenten die eiseres bij deze aanvraag heeft overgelegd brengen daar geen verandering in. De overlijdensakte is volgens Bureau Documenten met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet in deze gewijzigde staat opgemaakt en afgegeven. Het rapport van hoogleraar Bluth geldt in dat verband niet als contra-expertise, nu hij geen deskundige is op het gebied van documentenonderzoek. De aangifte van de mishandeling van haar echtgenoot betreft een kopie dat niet op echtheid kan worden onderzocht. Ook zijn daar wijzigingen op zichtbaar, waardoor er twijfels zijn over de authenticiteit van het origineel. Verder heeft eiseres vaag en summier verklaard over de mishandelingen van haar echtgenoot en kleinkinderen. De verwijzing van eiseres naar de rapportage van iMMO maakt dat niet anders, nu in de vorige asielprocedure al is geoordeeld dat eiseres daar geen geslaagd beroep op kan doen.
5. Eiseres kan zich niet vinden in het bestreden besluit en voert daartoe aan dat Bureau Documenten zich bij de beoordeling van de overlijdensakte ten onrechte heeft beperkt tot het verrichten van technisch onderzoek. Uit de rapportage van Bluth volgt dat er in Pakistan wel vaker wijzigingen op documenten worden aangebracht. Ook volgt daaruit dat de juistheid van de informatie die aan de overlijdensakte ten grondslag ligt alleen kan worden bevestigd door na te gaan of deze is opgenomen in het nationale datasyteem van de burgerlijke stand in Pakistan (NADRA). Verweerder en/of Bureau Documenten hadden dit bij de Pakistaanse autoriteiten moeten verifiëren. Daarnaast gaat verweerder eraan voorbij dat de overgelegde aangifte is gelegaliseerd. Het lag daarom op de weg van verweerder om dit document te onderzoeken. Uit een rapport van iMMO [4] blijkt verder dat eiseres niet goed kan verklaren als gevolg van psychische problemen. Daarnaast heeft de Afdeling [5] in een recente uitspraak overwogen dat het onderdelenvereiste niet langer mag worden tegengeworpen, terwijl dat in deze zaak wel is gebeurd. Tot slot heeft verweerder ten onrechte niet onderzocht of bij eiseres, die tot een risicogroep behoort, sprake is van geringe indicaties.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Overlijdensakte zoon
6. Uit het dossier blijkt dat Bureau Documenten in een verklaring van onderzoek heeft geconcludeerd dat de overlijdensakte van de zoon van eiseres met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet in deze gewijzigde staat is opgemaakt en afgegeven. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling [6] mag verweerder er in beginsel van uitgaan dat het onderzoek van Bureau Documenten zorgvuldig is uitgevoerd, tenzij de vreemdeling dat gemotiveerd, al dan niet door middel van een tegenonderzoek, betwist. In het laatste geval zal verweerder nader invulling moeten geven aan zijn vergewisplicht als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb. [7] De rechtbank stelt vast dat eiseres de conclusie van Bureau Documenten over de opmaak en de afgifte van de overlijdensakte als zodanig niet heeft bestreden. Er is reeds daarom geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich voor zijn besluitvorming niet op de bevindingen van Bureau Documenten heeft mogen baseren. Ook rustte op verweerder niet de verplichting om in Pakistan na te gaan of de informatie die aan de overlijdensakte ten grondslag ligt juist is. De enkele mededeling van professor Bluth dat een van zijn, niet nader genoemde, contactpersonen in Pakistan de juistheid van die informatie heeft bevestigd, is daarvoor onvoldoende.
Aangifte echtgenoot
7. Eiseres heeft verder een gelegaliseerde kopie van de aangifte van mishandeling van haar echtgenoot overgelegd. Bureau Documenten heeft de aangifte onderzocht en geconcludeerd dat het document niet kan worden beoordeeld. De rechtbank volgt eiseres daarom niet waar zij stelt dat verweerder dit document niet heeft onderzocht. Bureau Documenten heeft daarnaast vastgesteld dat er wijzigingen en overschrijvingen op het document zichtbaar zijn. Verweerder merkt daarover niet ten onrechte op dat dit twijfels oproept over de echtheid. Dat het document is gelegaliseerd, leidt niet tot een ander oordeel. Ook in gelegaliseerde documenten worden met regelmaat wijzigingen en vervalsingen aangetroffen. [8] Verweerder heeft daarom niet ten onrechte geoordeeld dat dit document niet voldoende is om de gestelde mishandeling van de echtgenoot van eiseres alsnog aannemelijk te maken.
De verklaringen van eiseres
8. In beroep is niet bestreden dat eiseres in het gehoor opvolgende aanvraag vaag en summier heeft verklaard. Toch is de rechtbank van oordeel dat het standpunt van verweerder dat het asielrelaas van eiseres ongeloofwaardig is, gebrekkig is gemotiveerd. Verweerder heeft namelijk ten onrechte niet alsnog betekenis toegekend aan de iMMO-rapportage die over eiseres is opgemaakt. Zoals hiervoor onder 1 uiteen is gezet concludeert iMMO daarin dat de psychische klachten van eiseres en haar cognitieve problemen zeker hebben geïnterfereerd met haar vermogen om volledig, coherent en consistent te verklaren. In haar uitspraak van 7 december 2022 [9] heeft de Afdeling overwogen dat, anders dan voorheen, niet langer als uitgangspunt geldt dat uit een iMMO-rapport moet blijken op welke onderdelen van het asielrelaas de beperking van het vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren, invloed heeft gehad (hierna: het onderdelenvereiste). Deze uitspraak is van belang voor alle andere zaken waarin een vreemdeling een rapport van het iMMO heeft overgelegd. [10] Het onderdelenvereiste is volgens de Afdeling immers niet langer houdbaar omdat het vanuit medisch-wetenschappelijk oogpunt onaanvaardbaar is om standaard onderscheid te maken tussen wat iemand wel en niet kan verklaren als gevolg van psychische problemen die het geheugen beïnvloeden. Deze uitspraak betekent dan ook goed beschouwd dat verweerder het onderdelenvereiste niet mag en, in retrospectief, ook nooit heeft mogen tegenwerpen. Er is daarom geen aanleiding voor het oordeel dat iMMO-rapportages waarover verweerder zich - zoals hier het geval is - in een eerdere, reeds afgesloten asielprocedure heeft uitgelaten, niet door de uitspraak van de Afdeling worden geraakt. Verweerder heeft dat ten onrechte niet onderkend door in het bestreden besluit te volstaan met de constatering dat de iMMO-rapportage in de vorige asielprocedure al is beoordeeld en dat dit oordeel in rechte in stand is gebleven.
9. Verder is het vaste rechtspraak [11] dat wanneer verweerder de conclusie van het iMMO dat een vreemdeling door zijn psychische problematiek zeer waarschijnlijk of zeker niet goed heeft kunnen verklaren bestrijdt, hij daar niet aan voorbij kan gaan zonder zelf een medisch deskundige te raadplegen. Verweerder heeft dat echter nagelaten, terwijl een deugdelijke motivering waarom het asielrelaas van eiseres desondanks ongeloofwaardig moet worden geacht, in het bestreden besluit ontbreekt.
10. De rechtbank is tot slot van oordeel dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid. Verweerder is, gelet op artikel 3.118b, tweede lid, in samenhang met artikel 3.109, vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) in beginsel niet verplicht een medisch onderzoek aan te bieden aan een vreemdeling die een opvolgende aanvraag heeft ingediend. De voorgeschreven zorgvuldigheid kan echter met zich brengen dat verweerder, als daartoe aanleiding bestaat, een vreemdeling wel een medisch onderzoek aan moet bieden. [12] De rechtbank is van oordeel dat verweerder in dit geval, gelet op het beschikbare iMMO-rapport en de daarin vervatte conclusies, gehouden was na te gaan of het verantwoord was eiseres te horen en haar daartoe, voorafgaand aan het gehoor opvolgende aanvraag, medisch te laten onderzoeken. Dit is ten onrechte niet gebeurd.
Conclusie
11. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren. De overige beroepsgronden behoeven daarom geen bespreking. Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of om zelf in de zaak te voorzien. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van eiseres. Uit dat besluit zal moeten blijken dat en op welke wijze de volledige inhoud van het iMMO-rapport over eiseres bij de beoordeling van de aanvraag is betrokken. Indien verweerder de inhoud van het iMMO-rapport nog steeds bestrijdt, dient hij zelf een medisch deskundige te raadplegen. Indien verweerder geen medisch deskundige raadpleegt maar desondanks vasthoudt aan de conclusie dat het asielrelaas van eiseres ongeloofwaardig is, dient hij dat nader en op deugdelijke wijze te motiveren. Daarbij geldt dat verweerder in een dergelijke situatie niet zonder meer aan eiseres kan tegenwerpen dat zij vaag en summier heeft verklaard. Indien verweerder eiseres opnieuw of aanvullend wil horen, dient hij daaraan voorafgaand een medisch onderzoek aan eiseres aan te bieden.
12. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder de proceskosten van eiseres vergoeden. De rechtbank stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.674,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 837,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiseres met inachtneming van deze uitspraak;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.674,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Anker, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Instituut voor Mensenrechten en Medisch Onderzoek.
2.NL18.20520.
3.201809766/1/V2.
4.Instituut voor Mensenrechten en Medisch Onderzoek.
5.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
6.ECLI:RVS:NL:2020:628.
7.Algemene wet bestuursrecht.
8.Zie hiervoor de Vakbijlage Bureau Documenten, paragraaf 5, versie februari 2022.
10.Zie rechtsoverweging 1 van de uitspraak.
11.Bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 27 juni 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2085).
12.Zie hiervoor ook Werkinstructie 2021/12.