ECLI:NL:RBDHA:2023:5142
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening intrekking verblijfsvergunning en inreisverbod wegens terroristische veroordeling
Verzoeker, een Iraakse nationaliteit dragende persoon, had sinds 2011 een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. Deze vergunning is ingetrokken door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid vanwege een onherroepelijke veroordeling voor medeplegen van voorbereiding van een terroristisch misdrijf en deelname aan een terroristische organisatie. Verzoeker is sinds november 2019 gedetineerd en heeft drie minderjarige kinderen met zijn ex-partner.
De staatssecretaris heeft ook een inreisverbod van twintig jaar opgelegd, omdat verzoeker een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde en nationale veiligheid. Verzoeker maakte bezwaar tegen deze besluiten en verzocht de rechtbank om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen totdat op bezwaar en beroep is beslist.
De voorzieningenrechter oordeelde dat er geen spoedeisend belang is omdat verzoeker gedetineerd is en zolang de detentie voortduurt geen uitzetting zal plaatsvinden. De detentie eindigt naar verwachting op 24 oktober 2025, wat een dreigende uitzetting op korte termijn uitsluit. Ook een mogelijke toepassing van de SOB-regeling over meer dan een half jaar verandert dit niet.
Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de intrekking van de verblijfsvergunning en het inreisverbod wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.