ECLI:NL:RBDHA:2023:5104

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 april 2023
Publicatiedatum
12 april 2023
Zaaknummer
NL23.7633
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 Dublinverordening (EU) nr. 604/2013Art. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArt. 3 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens
Verwijzingen
7 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging Dublinbesluit: Frankrijk verantwoordelijk voor asielaanvraag ondanks zorgen over opvang

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen omdat Frankrijk verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening.

Eiser betoogde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel jegens Frankrijk niet langer geldt vanwege problemen met opvang en toegang tot voorzieningen, onderbouwd met rapporten van Amnesty International en AIDA. Tevens stelde hij dat de staatssecretaris de aanvraag zelf had moeten behandelen wegens kennelijke hardheid.

De rechtbank oordeelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel in het algemeen blijft gelden en dat eiser niet voldeed aan de hoge bewijsdrempel om het te ontkrachten. De rapporten toonden wel problemen maar niet van dien aard dat overdracht aan Frankrijk een reëel risico op schending van fundamentele rechten oplevert.

Verder wees de rechtbank erop dat Frankrijk met het claimakkoord de behandeling van de aanvraag garandeert conform Europese richtlijnen. Klachten over opvang dienen bij Franse autoriteiten te worden ingediend. De stelling van kennelijke hardheid faalde eveneens omdat deze samenhing met het vertrouwensbeginsel.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en Frankrijk blijft verantwoordelijk voor de asielaanvraag.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.7633
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. A. Saakjan),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. I. Vugs).

Procesverloop

Bij besluit van 13 maart 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL23.7634, op 6 april 2023 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht vooraf, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Overwegingen

1. Niet in geschil is dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser.
2. Eiser stelt in zijn gronden van beroep dat ten aanzien van Frankrijk niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Hij verwijst daarbij naar het rapport van Amnesty International 2021/2022 en naar het AIDA-rapport van 31 december 2021. Eiser vreest dat hij na een overdracht aan Frankrijk geen opvang, geen toegang tot medische voorzieningen en geen toegang tot de asielprocedure zal hebben, waardoor hij zich in Frankrijk niet kan handhaven. Tot slot had verweerder zijn asielaanvraag aan zich moeten trekken op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. [1]
3. In zijn algemeenheid mag verweerder ten opzichte van Frakrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit is ook recentelijk nog door de Afdeling [2] bevestigd. [3] Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat daar in zijn geval niet van kan worden uitgegaan. Hiervoor geldt een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid. [4] Eiser is hierin niet geslaagd.
4. Uit de laatste update van het AIDA-rapport kan weliswaar worden opgemaakt dat er problemen zijn (geweest) met de opvang in Frankrijk, maar niet is gebleken dat die problemen dermate structureel en ernstig zijn dat bij overdracht aan Frankrijk op voorhand sprake is van een reëel risico op schending van artikel 4 van Pro het Handvest [5] of artikel 3 van Pro het EVRM. [6] Daarnaast heeft de Afdeling in haar uitspraak van 21 april 2021 een uitspraak gedaan over eerdere rapporten van AIDA en geoordeeld dat nog steeds kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De door eiser aangehaalde rapporten schetsen geen wezenlijk ander beeld.
5.
Verweerder heeft in dit verband ook terecht opgemerkt dat Frankrijk met het claimakkoord heeft gegarandeerd de asielaanvraag van eiser in behandeling te nemen met inachtneming van de Europese asiel- en opvangrichtlijnen. Dat betekent ook dat eiser aanspraak maakt op opvang en medische voorzieningen. Voor zover eiser stelt dat hij toch problemen ondervindt bij het verkrijgen van opvang en andere voorzieningen, dient hij hierover te klagen bij de (hogere) Franse autoriteiten. Eiser heeft niet onderbouwd dat dit voor hem niet mogelijk of zinloos is.
6. Ook de stelling dat verweerder de behandeling van de asielaanvraag van eiser aan zich had moeten trekken, omdat overdracht naar Frankrijk zou leiden tot kennelijke hardheid, kan geen doel treffen. Eiser verwijst immers naar feiten en omstandigheden die aan de orde zijn gesteld in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verweerder heeft daarin in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om de verantwoordelijkheid voor de behandeling van de asielaanvraag aan zich te trekken zoals bedoeld in artikel 17 van Pro de Dublinverordening.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 6 april 2023 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.

Voetnoten

1.Verordening (EU) nr. 604/2013.
2.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
3.Zie de uitspraak van 21 april 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:816)
4.Zie hiervoor het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak Jawo van 19 maart 2019 (ECLI:EU:C:2019:218).
5.Handvesten van de grondenrechten van de Europese Unie.
6.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.