ECLI:NL:RBDHA:2023:4683
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf voor aspirant-adoptiekind wegens onvoldoende gezinsband
Eiseres, van Gambiaanse nationaliteit, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) als familie- of gezinslid bij referente, die sinds 2018 met een verblijfsvergunning in Nederland verblijft. De aanvraag werd afgewezen omdat eiseres niet samen met referente Nederland is binnengekomen en onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat zij sinds het overlijden van haar moeder in 2010 in het gezin van referente is opgenomen.
Eiseres maakte bezwaar tegen het besluit, maar werd niet gehoord, omdat het bezwaar kennelijk ongegrond werd verklaard. De rechtbank oordeelt dat het niet horen in bezwaar onterecht was, maar dat dit geen nadelige gevolgen heeft omdat een hoorzitting geen toegevoegde waarde zou hebben gehad.
De rechtbank stelt vast dat de overgelegde bewijsstukken onvoldoende zijn om een gezinsband aan te tonen. Verweerder mocht de verklaringen van getuigen en instanties betwijfelen en hoefde niet in te gaan op het aanbod van een DNA-onderzoek. De belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro valt in het nadeel van eiseres uit, mede vanwege het economische belang van Nederland en het feit dat het gezinsleven in Gambia kan worden uitgeoefend.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, veroordeelt verweerder tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van eiseres.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de machtiging tot voorlopig verblijf bevestigd.