ECLI:NL:RBDHA:2023:4292

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 februari 2023
Publicatiedatum
29 maart 2023
Zaaknummer
NL22.10802
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 4:84 AwbArt. 66a Vreemdelingenwet 2000Art. 3, vierde lid TerugkeerrichtlijnArt. 3.3, eerste lid, aanhef en onder c Vreemdelingenbesluit 2000
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring beroep tegen terugkeerbesluit en inreisverbod wegens onrechtmatig verblijf

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen een terugkeerbesluit en een inreisverbod van twee jaar dat door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid was opgelegd. Het terugkeerbesluit werd opgelegd omdat eiser onrechtmatig in Nederland verbleef na het verlopen van zijn visum. Eiser betoogde dat het besluit en het inreisverbod in strijd waren met het evenredigheidsbeginsel, zorgvuldigheidsbeginsel, motiveringsbeginsel en dat verweerder had moeten afzien van het inreisverbod op humanitaire gronden.

De rechtbank stelde vast dat eiser onrechtmatig verbleef en dat hij geen omstandigheden had aangevoerd die afzien van het terugkeerbesluit rechtvaardigen. Het beroep op schending van de genoemde beginselen werd verworpen omdat het niet onderbouwd was. Ook het beroep op artikel 8 EVRM Pro faalde omdat eiser onvoldoende aannemelijk maakte dat het inreisverbod disproportioneel was.

De rechtbank concludeerde dat verweerder terecht het inreisverbod had opgelegd en dat het beroep ongegrond was. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken. De uitspraak werd gedaan door rechter D.C. Laagland en griffier R.S. Ouertani en is openbaar bekendgemaakt.

Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.10802

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. F.H. Bruggink),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: T. Pourjalili).

Procesverloop

Bij besluit van 14 mei 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank doet met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?
1. Verweerder heeft bij het bestreden besluit een terugkeerbesluit aan eiser opgelegd, omdat is gebleken dat eiser onrechtmatig in Nederland verblijft dan wel niet is gebleken dat hij rechtmatig in Nederland verblijft. Volgens verweerder is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan hij zou moeten afzien van het opleggen van een terugkeerbesluit. Verweerder heeft verder bepaald dat eiser Nederland binnen een termijn van 28 dagen moet verlaten. Ook heeft een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar.
Wat vindt eiser in beroep?
2. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij betoogt dat zowel het terugkeerbesluit als inreisverbod in strijd zijn met het (Unierechtelijk) evenredigheidsbeginsel, zorgvuldigheidsbeginsel en motiveringsbeginsel. Daarnaast had verweerder gebruik moeten maken van zijn inherente afwijkingsbevoegdheid. [1] Verder vindt eiser dat verweerder om humanitaire redenen had moeten afzien van het opleggen van het inreisverbod. [2] Tot slot doet hij een beroep op artikel 8 van Pro het EVRM. [3] Eiser werkt en woont al drie jaar in Nederland en is niemand tot last.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Terugkeerbesluit
4.1
De rechtbank stelt voorop dat een terugkeerbesluit niet meer inhoudt dan de administratieve vaststelling dat een onderdaan van een derde land illegaal in Nederland verblijft en dat op hem de verplichting tot vertrek rust. [4]
4.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat eiser onrechtmatig in Nederland verbleef toen hem een terugkeerbesluit werd opgelegd. Uit het proces-verbaal blijkt dat eiser heeft verklaard dat hij na het verlopen van zijn visum, en na zijn aankomst in de Europese Unie drie jaar geleden, nooit is vertrokken uit de EU. Eiser heeft verder verklaard dat hij niet terug wil naar Marokko en dat een aantal ooms van hem in Nederland verblijft. Eiser heeft verklaard dat hij geen gezondheidsproblemen heeft en dat hij geen onmenselijke behandeling vreest bij terugkeer naar Marokko. Hij heeft verder ook geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan verweerder van het terugkeerbesluit had moeten afzien. Verweerder heeft het terugkeerbesluit dan ook op goede gronden opgelegd.
4.3.
Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank eiser niet in zijn betoog dat het terugkeerbesluit in strijd is met het zorgvuldigheids-, motiverings- en (Unierechtelijk) evenredigheidsbeginsel. Dit betoog is overigens ook op geen enkele wijze onderbouwd.
Inreisverbod
5.1.
Nu het terugkeerbesluit in rechte stand kan houden, heeft verweerder aan eiser een inreisverbod kunnen opleggen, omdat hij langer in Nederland heeft verbleven dan dat zijn visum geldig was [5] . De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet heeft hoeven afzien van het opleggen van het inreisverbod. Verweerder heeft geen bijzondere omstandigheden hoeven zien in wat eiser tijdens het gehoor naar voren heeft gebracht.
Voor zover eiser betoogt dat verweerder vanwege humanitaire redenen had moeten afzien van een inreisverbod [6] , volgt de rechtbank hem daarin niet. Los van het feit dat verweerder daarbij beoordelingsvrijheid toekomt [7] , heeft eiser dit niet onderbouwd. Verweerder heeft in de besluitvorming voldoende uitgelegd waarom hij niet afziet van het uitvaardigen van een inreisverbod.
5.2.
Dat het inreisverbod in strijd is met artikel 8 van Pro het EVRM volgt de rechtbank niet. De enkele, niet-onderbouwde, stelling dat eiser hier al drie jaar woont en werkt is hiervoor onvoldoende. De rechtbank wijst er daarbij op dat eiser wist dat hij na het verlopen van zijn visum Nederland moest verlaten en dat hij hier al die tijd dus onrechtmatig verbleef.
5.3.
Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank eiser ook niet in zijn betoog dat het inreisverbod in strijd is met het zorgvuldigheids-, motiverings- en (Unierechtelijk) evenredigheidsbeginsel. Eiser heeft dit betoog verder ook niet onderbouwd.
5.4.
Het beroep op artikel 4:84 van Pro de Awb slaagt evenmin. Eiser heeft namelijk niet onderbouwd van welke beleidsregel verweerder had moeten afwijken.
Wat is de conclusie?
6. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, rechter, in aanwezigheid van mr. R.S. Ouertani, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Zie artikel 66a, achtste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
3.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
4.Volgens artikel 3, vierde lid van de Terugkeerrichtlijn.
5.Zie artikel 66a, tweede lid, van de Vw 2000 en artikel 3.3, eerste lid, aanhef en onder c, van het Vreemdelingenbesluit 2000.
6.Op grond van artikel 66a, achtste lid, van de Vw 2000.
7.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:368).