ECLI:NL:RBDHA:2023:4188
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning humanitair niet-tijdelijk na belangenafweging privéleven
Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, had sinds 2016 een verblijfsvergunning als gezinslid, die in 2020 met terugwerkende kracht werd ingetrokken vanwege beëindiging van de relatie. Zijn aanvraag voor wijziging van verblijfsdoel naar arbeid in loondienst werd eveneens afgewezen. Vervolgens vroeg hij een verblijfsvergunning humanitair niet-tijdelijk aan, die op 11 maart 2022 werd afgewezen. Na bezwaar en een nieuw besluit handhaafde de staatssecretaris dit besluit op 21 december 2022.
De rechtbank overwoog dat eiser niet voldeed aan de voorwaarden, zoals het vijfjarig verblijf als gezinslid en het behalen van het inburgeringsexamen. Tevens was er geen sprake van schending van artikel 8 EVRM Pro, omdat geen gezinsleven met zijn voormalige partner bestond en de emotionele banden met zijn broers onvoldoende waren. De belangenafweging tussen het privéleven van eiser en het Nederlandse toelatingsbeleid werd door verweerder zorgvuldig gemaakt.
De rechtbank concludeerde dat verweerder alle relevante feiten en omstandigheden had betrokken en dat het belang van de Nederlandse staat zwaarder mocht wegen. De verwijzing van eiser naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State was niet vergelijkbaar. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning humanitair niet-tijdelijk wordt ongegrond verklaard.