ECLI:NL:RBDHA:2023:3690
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen weigering verblijfsvergunning zelfstandige
Verzoeker, met de Turkse nationaliteit, heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning met als doel arbeid als zelfstandige. Deze aanvraag is door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid afgewezen omdat een ondernemingsplan ontbrak, waardoor niet kon worden vastgesteld of een wezenlijk Nederlands belang werd gediend.
Verzoeker heeft in bezwaar alsnog een ondernemingsplan ingediend, maar dit plan voldeed niet aan de vereisten van onderbouwing met objectief verifieerbare stukken en een externe financiële controle. De voorzieningenrechter oordeelt dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft.
Daarnaast is vastgesteld dat verzoeker een terugkeerverplichting heeft opgelegd gekregen in een eerdere procedure en dat hij hieraan niet heeft voldaan. Het verzoek om de rechtsgevolgen van het primaire besluit op te schorten wordt afgewezen, ondanks het spoedeisend belang, omdat niet aan de voorwaarden voor de vergunning is voldaan.
Het aanvullende verzoek om behandeld te worden alsof verzoeker in het bezit is van de vergunning wordt eveneens afgewezen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af en veroordeelt verweerder niet tot proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt afgewezen.