ECLI:NL:RBDHA:2023:3583
Rechtbank Den Haag
- Vereenvoudigde behandeling
- Rechtspraak.nl
Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op asielaanvraag met oplegging dwangsom
Eiser heeft op 10 oktober 2021 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn van zes maanden zonder besluit, stelde eiser de staatssecretaris bij brief van 20 juli 2022 in gebreke. Vervolgens werd op 4 augustus 2022 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat de staatssecretaris niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist. De rechtbank verwijst naar de toepasselijke bepalingen in de Algemene wet bestuursrecht en de Vreemdelingenwet 2000, en bevestigt dat de wettelijke beslistermijn is verstreken en de ingebrekestelling rechtsgeldig is. Tevens wordt gewezen op de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND en de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over de onverenigbaarheid van het uitsluiten van rechterlijke dwangsommen met het Unierecht.
De rechtbank draagt de staatssecretaris op binnen zestien weken na verzending van het vonnis alsnog een besluit te nemen op de aanvraag. Tevens legt zij een dwangsom op van €100 per dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van €7.500. Daarnaast wordt de staatssecretaris veroordeeld in de proceskosten van eiser ter hoogte van €418,50.
De uitspraak is gedaan door rechter C.H. de Groot en griffier A.J. Kinds en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond, draagt de staatssecretaris op binnen zestien weken een besluit te nemen en legt een dwangsom op bij overschrijding.