AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beëindiging gezamenlijk ouderlijk gezag vader wegens afwezigheid en bedreiging ontwikkeling kind
De rechtbank Den Haag behandelde het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming om het ouderlijk gezag van de vader over de minderjarige te beëindigen. De vader oefent zijn gezag niet uit, is afwezig in het leven van het kind en laat zijn zorg over aan zijn ouders. Dit veroorzaakt onrust en onveiligheid voor de minderjarige.
De moeder en stiefvader zorgen goed voor het kind, maar conflicten tussen ouders en grootouders van vaderszijde over belangrijke beslissingen hebben geleid tot een onveilige opvoedsituatie. De rechtbank weegt het belang van het kind en de ouder tegen elkaar af, waarbij het belang van het kind voorop staat.
Op grond van artikel 1:266 BWPro en het EVRM oordeelt de rechtbank dat de vader onvoldoende in staat is zijn verantwoordelijkheid te dragen binnen een aanvaardbare termijn. Daarom wordt het gezag van de vader beëindigd en wordt de moeder voortaan alleen met het gezag belast. De vader blijft echter de juridische vader en behoudt het recht op contact indien mogelijk.
De beschikking is mondeling uitgesproken op 16 februari 2023 en schriftelijk vastgesteld op 28 februari 2023. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.
Uitkomst: Het ouderlijk gezag van de vader wordt beëindigd en de moeder oefent voortaan het gezag alleen uit.
Uitspraak
rechtbank DEN HAAG
Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaaksgegevens: C/09/638661 / FA RK 22-7961
Datum uitspraak: 16 februari 2023
Beschikking van de enkelvoudige kamer
Beëindiging ouderlijk gezag
in de zaak naar aanleiding van het op 16 november 2022 ingekomen verzoek van:
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Haaglanden,hierna te noemen: de Raad,
betreffende de minderjarige:
[minderjarige] geboren op [geboortedag 1] 2016 te [geboorteplaats 1] hierna te noemen: [minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de man 3] ,hierna te noemen: de vader,wonende op een bij de rechtbank bekend adres,bijgestaan door advocaat mr. T. Grootenhuis te Den Haag,
[de vrouw] ,
[de man 2] hierna te noemen: de stiefvader,wonende te [woonplaats] .
De rechtbank merkt als informant aan:
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.
Het procesverloop
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken:
het verzoekschrift met bijlagen, waaronder het rapport van de Raad van 15 november 2022;
het proces-verbaal van de zitting van 31 januari 2023, waarbij de behandeling van het verzoek is aangehouden;
een brief met vijf producties namens de moeder, ingekomen op 13 februari 2023;
het borgingsplan van de gecertificeerde instelling, nagestuurd door de advocaat van de moeder, ingekomen op 14 februari 2023.
Op 16 februari 2023 is de behandeling van de zaak ter zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij zijn verschenen:
[vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad;
de advocaat van de vader;
de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
de stiefvader;
[vertegenwoordiger van de GI] namens de gecertificeerde instelling.
De vader is behoorlijk opgeroepen, maar niet ter zitting verschenen.
Feiten
De moeder en de vader zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] woont bij de moeder en de stiefvader.
Verzoek
De Raad verzoekt het gezag van de vader over [minderjarige] te beëindigen, waardoor alleen de moeder met het ouderlijk gezag is belast.
Aan het verzoek ligt ten grondslag dat de vader geen verantwoordelijkheid wil of kan nemen voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] en vrij abrupt uit haar leven is verdwenen. Hij heeft ervoor gekozen zijn zorg voor [minderjarige] aan zijn ouders over te laten en het gezag niet uit te oefenen. Het ontbreken van contact met de vader levert een onaanvaardbaar risico op voor het welzijn en de ontwikkeling van [minderjarige] . Bovendien vormt zijn afwezige houding ook een bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige] omdat hij wel betrokken moet worden bij belangrijke beslissingen over [minderjarige] . Hierover zijn de afgelopen jaren meerdere juridische procedures gevoerd, bijvoorbeeld over school, verhuizing en de zorgregeling, waarbij ook de grootouders vaderszijde invloed hebben willen uitoefenen. Dit heeft geleid tot veel onrust bij [minderjarige] en zelfs tot onveiligheid. De bedreigingen in de ontwikkeling van [minderjarige] kunnen worden weggenomen door het ouderlijk gezag van de vader te beëindigen. Over de opvoedsituatie bij de moeder en de stiefvader zijn geen zorgen. Een andere kinderbeschermingsmaatregel is dan ook niet noodzakelijk.
De advocaat van de vader heeft verklaard dat de vader zich refereert aan het oordeel van de rechtbank. De advocaat heeft op verzoek van de vader een e-mail voorgelezen waaruit naar voren komt (samengevat) dat de vader in het belang van [minderjarige] geen verweer voert en dat hij vindt dat zowel zijn ouders als [minderjarige] onrecht is aangedaan door het handelen van de moeder. Hij vindt het belangrijk om te laten weten dat het nooit zijn keuze is geweest en dat zijn deur altijd open staat voor [minderjarige] in de toekomst.
Door en namens de moeder is ook geen verweer gevoerd. Zij onderschrijft de conclusies en het verzoek van de Raad. De moeder vindt het belangrijk dat er rust en duidelijkheid komt en dat de vader of de grootouders vaderszijde belangrijke beslissingen over [minderjarige] niet meer blokkeren. Dat draagt bij aan het welzijn en de toekomst van [minderjarige] .
De gecertificeerde instelling heeft verklaard dat gedurende hun betrokkenheid een aantal keer is geprobeerd om goede afspraken te maken, bijvoorbeeld over de zorgregeling, die niet zijn nagekomen door de vader.
Beoordeling
De rechtbank kan op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) het gezag van een ouder beëindigen, indien (a.) de minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of (b.) de ouder het gezag misbruikt.
Beëindiging van het ouderlijk gezag is een maatregel die ingrijpt in het gezinsleven van zowel de ouder waarvan het gezag wordt beëindigd als de minderjarige waarover het gezag wordt uitgeoefend. Daarbij is van belang dat artikel 8 vanPro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) onder meer eist dat de belangen van het kind en die van de ouder tegen elkaar worden afgewogen. Ten aanzien van het belang van het kind volgt uit het bepaalde in de artikelen 3 en 20 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) dat de belangen van het kind voorop staan bij het nemen van een beslissing tot het beëindigen van ouderlijk gezag.
In dit geval speelt ook een rol dat sprake is van gezamenlijk gezag van de ouders en dat beëindiging van gezag van de vader ook via een andere weg kan worden verzocht, namelijk door de gezaghebbende moeder bij wie [minderjarige] woont op grond van artikel 1:253n BW, waarin andere vereisten gelden voor het beëindigen van gezag.
Met verwijzing naar de uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 23 november 2022 [1] overweegt de rechtbank dat niet is uitgesloten dat beëindiging van het gezag van één ouder op voet van artikel 1:266 BWPro ook gerechtvaardigd kan zijn wanneer het gezamenlijk gezag, dan wel de uitvoering daarvan, zodanige belastende conflicten of problemen oplevert voor het kind dat deze, op zichzelf of in combinatie met andere omstandigheden, een ernstige bedreiging opleveren voor diens ontwikkeling. Indien daarbij de handelwijze van één van de ouders dermate belastend is voor het kind en in strijd met hetgeen van een verantwoord opvoeder mag worden verwacht, dat daarvoor het kind een onveilige of beschadigende opvoedsituatie ontstaat en waarbij niet binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van het kind aanvaardbaar te achten termijn voldoende verbetering valt te verwachten, kan onder deze omstandigheden ook aan de voorwaarde(n) van artikel 1:266 BWPro zijn voldaan.
In het specifieke geval ten aanzien van [minderjarige] overweegt de rechtbank als volgt.
Uit de stukken en de verklaringen van de gehoorde personen komt het beeld naar voren dat [minderjarige] voor de volwassenen om haar heen heel belangrijk is, maar ook verstrikt is geraakt in een complexe familiedynamiek. De vader en de moeder hebben beiden het gezag en zij zijn daardoor degenen die de belangrijke beslissingen over [minderjarige] moeten nemen. Uit het onderzoek van de Raad, alsmede de informatie over de procedures ten aanzien van de zorgregeling, de (toestemming voor de) verhuizing van de moeder en [minderjarige] en de inschrijving op school, blijkt dat dit niet goed verloopt en dat daardoor een onveilige en beschadigende opvoedsituatie is ontstaan, waardoor [minderjarige] ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. De moeder ervaarde daarbij dat niet de vader, maar de grootouders vaderszijde invloed willen uitoefenen op haar leven en dat van [minderjarige] via de rechten en plichten die aan de vader als gezaghebbende ouder toekomen. Wat daar ook van zij, voor de rechtbank staat vast dat de vader zelf niet zijn verantwoordelijkheid als gezaghebbende ouder heeft genomen en ook niet meer wil nemen. Dit baseert de rechtbank op het nalaten van de vader om mee te werken aan de zorgregeling, de veiligheidsafspraken, het traject Ouderschap Blijft en het onderzoek van de Raad, zijn onbereikbaarheid voor de hulpverleners en de moeder en – bovenal – zijn afwezigheid in het leven van [minderjarige] . Uit het bericht van de vader blijkt dat hij ook in de toekomst geen opvoedersrol wenst te vervullen. De rechtbank heeft begrepen dat de vader die keuze in het belang van [minderjarige] heeft gemaakt teneinde rust te creëren. Los van de reden van de keuze van de vader is de conclusie van de rechtbank dat vast staat dat de vader onvoldoende in staat is de verzorging en opvoeding over [minderjarige] binnen een voor haar aanvaardbare termijn te dragen.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat aan het criterium van artikel 1:266, eerste lid, onder a BW is voldaan en dat beëindiging van het gezag van de vader een gerechtvaardigde inmenging vormt in het gezinsleven, zoals bedoeld in artikel 8 EVRMPro. De rechtbank zal het verzoek tot beëindiging van het gezag van de vader dan ook toewijzen. Dit heeft tot gevolg dat voortaan alleen de moeder het ouderlijk gezag over [minderjarige] uitoefent. Deze beslissing neemt niet weg dat de vader wel de vader van [minderjarige] blijft en dat hij het recht heeft om, indien daar op enig moment weer ruimte voor is, contact met [minderjarige] te hebben.
Daarom zal als volgt worden beslist.
Beslissing
De rechtbank:
beëindigt het ouderlijk gezag van de vader:
- [de man 3] , geboren op [geboortedatum 1] 1992 te [geboorteplaats 2]
over de minderjarige:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedag 1] 2016 te [geboorteplaats 1]
stelt vast dat de moeder, [de vrouw] , geboren op [geboortedag 2] 1993 te [geboorteplaats 3] , voortaan alleen met de uitoefening van het ouderlijk gezag over [minderjarige] is belast,
gelast de griffier deze beslissing te laten aantekenen in het gezagsregister;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2023 door mr. M.P. Meeuwisse, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. S.T. Viezee als griffier.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 28 februari 2023.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van