ECLI:NL:RBDHA:2023:2435

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 maart 2023
Publicatiedatum
2 maart 2023
Zaaknummer
NL23.4399
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J. Boerlage - van den Bosch
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 96 Vw 2000
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen voortduren maatregel van vreemdelingenbewaring wegens voldoende zicht op uitzetting

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 15 december 2022 een maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd aan eiser, die van Marokkaanse nationaliteit is. Eiser heeft tegen het voortduren van deze maatregel beroep ingesteld en tevens een verzoek om schadevergoeding gedaan. De rechtbank heeft het beroep op 24 februari 2023 behandeld, waarbij eiser en zijn gemachtigde zich afgemeld hadden.

De rechtbank heeft eerder op 2 februari 2023 geoordeeld dat de maatregel tot dat moment rechtmatig was. De beoordeling richt zich nu op de periode vanaf 27 januari 2023. Eiser stelde dat er geen zicht is op uitzetting omdat er nog geen presentatiedatum bekend is en onduidelijk is wanneer deze bekend wordt. De rechtbank constateert dat de staatssecretaris meerdere malen contact heeft gezocht met de Marokkaanse autoriteiten en dat er recent nog een vertrekgesprek met eiser heeft plaatsgevonden.

De rechtbank acht het aannemelijk dat de Marokkaanse autoriteiten niet onwillig zijn om medewerking te verlenen en dat er zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn. Daarbij weegt mee dat eiser niet volledig meewerkt aan zijn terugkeer en voorkeur uitspreekt voor een ander land. Ook ambtshalve toetsing aan Europese jurisprudentie leidt niet tot een ander oordeel. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de voortzetting van de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.4399

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

geboren [geboortedatum] ,
van Marokkaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. S. Akkas)
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).

Procesverloop

Verweerder heeft op 15 december 2022 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Eiser heeft op de door verweerder overgelegde voortgangsrapportage gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 24 februari 2023 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de behandeling ter zitting. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 2 februari 2023 (in de zaak NL23.1622) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 27 januari 2023 de maatregel van bewaring rechtmatig is.
3. Eiser voert aan dat, terwijl eiser thans ruim twee maanden in vreemdelingenbewaring verblijft, er nog steeds geen presentatiedatum bekend is. Tevens is nog onduidelijk hoe lang het nog gaat duren voordat deze datum bekend wordt. Gelet hierop is er geen sprake van zicht op uitzetting op korte termijn naar Marokko.
4. De rechtbank oordeelt als volgt. In haar uitspraak van 2 februari 2023 (NL23.1622) heeft de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, reeds geoordeeld dat verweerder op 27 december 2022 een lp-aanvraag aan de Marokkaanse autoriteiten heeft verstuurd en dat verweerder op 12 januari 2023 schriftelijk op de lp-aanvraag heeft gerappelleerd. Uit de nieuwe voortgangsrapportage valt af te leiden dat verweerder inmiddels ook op 3 februari 2023 schriftelijk op de lp-aanvraag heeft gerappelleerd. Verder heeft verweerder op 23 februari 2023 nog een vertrekgesprek met eiser gevoerd. De rechtbank is van oordeel dat er thans nog immer onvoldoende aanknopingspunten zijn om te concluderen dat de Marokkaanse autoriteiten in het geval van eiser niet kunnen of willen overgaan tot de afgifte van een lp en dat daarom het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) op 14 november 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:3269) heeft geoordeeld dat er in zijn algemeenheid ten aanzien van Marokko nog steeds van ‘zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn’ kan worden uitgegaan. Daarnaast acht de rechtbank het van belang dat eiser niet actief en volledig meewerkt aan zijn terugkeer naar Marokko, terwijl dit wel van hem wordt gevergd. Uit de laatste vertrekgesprekken blijkt ook dat eiser naar België zou willen gaan. Gelet op het voorgaande is de rechtbank vooralsnog van oordeel dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn in het geval van eiser niet ontbreekt.
5. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden in het kader van de voortduring van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek op 27 januari 2023 en het sluiten van het onderhavige onderzoek op 24 februari 2023 op enig moment onrechtmatig was.
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Boerlage - van den Bosch, rechter, in aanwezigheid van mr. P.C.J. Lindeijer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.