ECLI:NL:RBDHA:2023:2421
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek vrijstelling leges bij aanvraag verblijfsvergunning privéleven
Eiser, van Algerijnse nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier met als doel privéleven op grond van artikel 8 EVRM Pro. Verweerder nam de aanvraag niet in behandeling omdat eiser de leges van € 1.086,- niet had betaald en niet voldeed aan de voorwaarden voor vrijstelling. Eiser verzocht om vrijstelling wegens beperkte financiële middelen, maar kon dit niet aannemelijk maken met de vereiste bewijsstukken, zoals een inkomensverklaring van de Raad voor Rechtsbijstand.
In bezwaar stelde eiser dat de weigering tot vrijstelling in strijd is met het arrest G.R. tegen Nederland van het EHRM en dat hij niet gehoord was in bezwaar. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht het bezwaar ongegrond had verklaard, omdat eiser niet tijdig de benodigde bewijsstukken had overgelegd en onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij geen beroep kon doen op derden voor betaling van de leges.
De rechtbank verwees naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin het legesbeleid niet onredelijk werd bevonden en concludeerde dat eiser geen toegang tot een effectief rechtsmiddel werd ontnomen. Ook het beroep op schending van de hoorplicht werd verworpen. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanvraag blijft buiten behandeling wegens niet betaling van leges en onvoldoende aannemelijkheid voor vrijstelling.