ECLI:NL:RBDHA:2023:2299

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 februari 2023
Publicatiedatum
28 februari 2023
Zaaknummer
NL23.2136
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:20 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen afwijzing opvolgende asielaanvraag en oplegging inreisverbod

Eiser diende op 21 juli 2021 een opvolgende asielaanvraag in. Nadat verweerder niet tijdig op deze aanvraag had beslist, stelde eiser verweerder in gebreke en startte op 6 september 2022 een beroep tegen het niet tijdig beslissen. Dit beroep werd geregistreerd onder zaaknummer NL22.17653. Op 18 januari 2023 nam verweerder alsnog een besluit waarin de opvolgende asielaanvraag niet-ontvankelijk werd verklaard en een inreisverbod van twee jaar werd opgelegd.

Eiser stelde vervolgens een tweede beroep in tegen dit besluit (NL23.2136). De rechtbank oordeelde dat het eerste beroep mede betrekking had op het alsnog genomen besluit en dat eiser niet verplicht was een tweede beroep in te stellen. Het tweede beroep werd dan ook beschouwd als een aanvulling op het eerste.

De rechtbank constateerde dat beide beroepen tegen hetzelfde besluit gericht waren en dat het tweede beroep geen toevoegende waarde had. Daarom werd het tweede beroep niet-ontvankelijk verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot afwijzing van de opvolgende asielaanvraag en oplegging van een inreisverbod is niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.2136

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. K.J. Diender).

Procesverloop

Eiser heeft op 21 juli 2021 een opvolgende asielaanvraag ingediend en heeft verweerder op 29 juli 2022 in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op deze aanvraag.
Op 6 september 2022 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit (geregistreerd onder zaaknummer NL22.17653). De rechtbank doet afzonderlijk uitspraak op dit beroep.
Op 18 januari 2023 heeft verweerder alsnog een besluit genomen en de opvolgende asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Daarnaast is aan eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd (het bestreden besluit).
Eiser heeft tegen het bestreden besluit afzonderlijk beroep ingesteld (NL23.2136) en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (NL23.2137).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft de beroepen, samen met het verzoek, op 24 februari 2023 op zitting behandeld. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt.
2. Uit het op 24 januari 2023 door eiser ingestelde beroep tegen het bestreden besluit leidt de rechtbank af dat met het besluit niet geheel aan het beroep is tegemoetgekomen. Het door eiser op 6 september 2022 ingediende beroep heeft daarom mede betrekking op het bestreden besluit. Eiser heeft niet opnieuw beroep hoeven in te stellen. De rechtbank beschouwt het nadien ingediende beroep (NL21.2136) als een aanvulling. [1] De bezwaren tegen het bestreden besluit worden door de rechtbank daarom in volle omvang in de zaak NL22.17653 betrokken.
3. De rechtbank constateert dat er twee beroepen aanhangig zijn tegen het bestreden besluit, namelijk de zaken NL22.17653 en NL23.2136. Gelet op het voorgaande heeft het laatstgenoemde beroep naar het oordeel van de rechtbank geen toevoegde waarde ten opzichte van het eerder ingediende beroep. In zoverre acht de rechtbank dan ook geen procesbelang aanwezig. Om deze reden zal de rechtbank het later ingestelde beroep (NL23.2136) niet-ontvankelijk verklaren.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.Y.B. Jansen, rechter, in aanwezigheid van A.J. van Bruggen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vgl. de uitspraak van de ABRvS van 20 oktober 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AR4294.