ECLI:NL:RBDHA:2023:222
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen verlenging overdrachtstermijn Dublinverordening
Verzoeker heeft in maart 2021 een asielverzoek in Nederland ingediend, maar dit werd niet behandeld omdat Duitsland verantwoordelijk was. Na overdracht aan Duitsland in juli 2021 kwam verzoeker in november 2021 weer in beeld bij Nederlandse autoriteiten na een diefstal en werd in vreemdelingenbewaring geplaatst. De staatssecretaris nam een overdrachtsbesluit om verzoeker opnieuw aan Duitsland over te dragen, maar verzoeker werkte niet mee en verdween, waardoor de overdrachtstermijn werd verlengd tot 18 maanden.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de verlenging terecht is omdat verzoeker zich onttrok aan toezicht en niet meewerkte aan overdracht, wat vergelijkbaar is met onderduiken. Verzoeker wist dat hij zich beschikbaar moest houden en had zich kunnen melden bij autoriteiten, maar deed dit niet.
Het betoog van verzoeker dat het besluit onvoldoende gemotiveerd zou zijn en dat de motivering te laat is gegeven, wordt verworpen. De staatssecretaris was pas na een recente uitspraak op de hoogte van de appellabiliteit en kon de motivering later geven, waarop verzoeker ook heeft kunnen reageren.
De voorzieningenrechter concludeert dat het beroep in de bodemzaak geen redelijke kans van slagen heeft en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen verlenging van de overdrachtstermijn aan Duitsland wordt afgewezen.