ECLI:NL:RBDHA:2023:22128
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf nareis dochter en kleinzoon wegens ontbreken feitelijke gezinsband
Eiseres, houder van een asielvergunning, verzocht om machtigingen tot voorlopig verblijf (mvv) voor haar dochter en kleinzoon in het kader van nareis. De staatssecretaris wees deze aanvragen af omdat de dochter niet viel onder het jongvolwassenenbeleid en een eigen gezin had gevormd, waardoor de feitelijke gezinsband was verbroken. Daarnaast werd geen meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie vastgesteld.
De rechtbank oordeelde dat het peilmoment voor de gezinsband vaststaat op de datum van binnenkomst van eiseres in Nederland en dat de dochter op dat moment meerderjarig was en een eigen gezin had. De rechtbank volgde de staatssecretaris in de uitleg dat een eenmaal verbroken gezinsband niet kan worden hersteld en dat er geen grond was voor een belangenafweging ten gunste van de dochter.
Voor het kleinzoon werd erkend dat er sprake was van gezinsleven, maar de belangenafweging viel negatief uit vanwege onder meer het economisch belang van de staat, het ontbreken van sterke banden met Nederland en het feit dat de moeder van het kind de hoofdverzorger is. De rechtbank vond dat de staatssecretaris de belangenafweging zorgvuldig had gemaakt en voldoende had gemotiveerd.
Het beroep werd ongegrond verklaard, de afwijzing van de mvv-aanvragen bleef in stand. De rechtbank veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de mvv-aanvragen blijft in stand.