Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres 1], V-nummer: [v-nummer 1], eiseres 1,
(gemachtigde: mr. M.B. Ullah),
Rechtbank Den Haag
Eiseressen, een moeder en haar dochter met de Syrische nationaliteit, hebben een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) om bij hun meerderjarige zoon/broer (de referent) te verblijven. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft de aanvraag afgewezen, waarna het bezwaar en een aanvullend besluit eveneens negatief uitvielen.
De rechtbank oordeelt dat de referent niet onder het jongvolwassenenbeleid valt omdat hij in Syrië in zijn eigen levensonderhoud voorzag. Ook is er geen sprake van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiseressen en de referent, mede vanwege het ontbreken van medische omstandigheden die afhankelijkheid rechtvaardigen en het feit dat eiseres 2 voor eiseres 1 zorgt. De banden van eiseressen met Syrië zijn sterker dan met Nederland.
De belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro, waarbij een fair balance moet worden gevonden tussen het belang van de vreemdeling en het Nederlandse toelatingsbeleid, valt in het nadeel van eiseressen uit. De rechtbank acht de belangenafweging van de staatssecretaris zorgvuldig en rechtvaardig, waarbij ook het economisch belang van Nederland en het ontbreken van zeer uitzonderlijke omstandigheden zijn meegewogen.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en laat het bestreden besluit in stand. Er is geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten. Eiseressen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de mvv-aanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.