ECLI:NL:RBDHA:2023:21831
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering wegens onrechtmatige overheidsdaad en overschrijding redelijke termijn in omgangszaken
Eiser, de biologische vader van zijn zoon, vordert dat de Staat wordt veroordeeld wegens onrechtmatig handelen door het niet verstrekken van informatie over de omgangstherapie van zijn zoon en vanwege overschrijding van de redelijke termijn. De procedure betreft een afgebakend geschil over het informatieverzoek, los van de vele andere lopende zaken tussen partijen.
De rechtbank overweegt dat het leerstuk van onrechtmatige rechtspraak slechts onder strikte voorwaarden toepassing vindt, waaronder het ontbreken van een rechtsmiddel en fundamentele schendingen van rechtsbeginselen. Deze voorwaarden zijn niet vervuld, mede omdat eiser geen cassatieberoep heeft ingesteld. Verder is niet gebleken van schending van hoor en wederhoor of andere fundamentele beginselen.
Ten aanzien van de redelijke termijn constateert de rechtbank dat de procedure ongeveer 44 maanden duurde, waarvan 33 maanden in hoger beroep. De vertragingen zijn deels te wijten aan het incomplete dossier, het terugtreden van de advocaat en een wrakingsverzoek van eiser. Deze omstandigheden kunnen de Staat niet worden toegerekend. De rechtbank oordeelt dat geen sprake is van een onredelijke termijnoverschrijding of opzettelijke vertraging.
De rechtbank wijst de vorderingen af en veroordeelt eiser in de proceskosten, begroot op €4.033 plus nakosten. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering van eiser af en veroordeelt hem in de proceskosten.