ECLI:NL:RBDHA:2023:21225
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet in behandeling nemen verblijfsvergunning wegens verantwoordelijkheid Kroatië volgens Dublinverordening
Eiser, met de Syrische nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd die door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid niet in behandeling werd genomen. De staatssecretaris stelde dat Kroatië verantwoordelijk was voor de behandeling van de aanvraag op grond van de Dublinverordening.
Eiser voerde aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet op Kroatië van toepassing is vanwege gedocumenteerde pushbacks en beperkte medische zorg, en dat prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie nog beantwoord moesten worden. De rechtbank oordeelde dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat Kroatië zijn verplichtingen niet nakomt en dat de prejudiciële vragen niet hoeven te worden afgewacht.
De rechtbank verwees naar recente uitspraken van de hoogste bestuursrechter die het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Kroatië bevestigen en de door eiser aangevoerde brief van de Kroatische autoriteiten hebben beoordeeld. Ook is geoordeeld dat er geen aanwijzingen zijn dat Kroatië niet adequaat medische zorg biedt.
Daarom is het beroep kennelijk ongegrond en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de verblijfsvergunningaanvraag wordt kennelijk ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.