ECLI:NL:RBDHA:2023:20601
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening voor uitzetting naar Turkije na strafonderbreking
Verzoeker maakte bezwaar tegen zijn voorgenomen feitelijke uitzetting naar het Verenigd Koninkrijk op 2 januari 2024 en verzocht om een voorlopige voorziening. De staatssecretaris wilde verzoeker uitzetten naar het Verenigd Koninkrijk omdat hij daaronderdaan is, terwijl verzoeker wilde vertrekken naar Turkije, waar hij zonder visum toegang heeft en waar zijn familie een vliegticket kan regelen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat er sprake is van een spoedeisend belang vanwege de geplande uitzetting en dat het vertrek van verzoeker onderdeel is van een strafonderbreking die ingaat bij daadwerkelijke vertrek uit Nederland. De rechter zag geen belemmering voor vertrek naar Turkije en stelde dat daarmee aan de vertrekverplichting uit het terugkeerbesluit wordt voldaan.
De staatssecretaris werd opgedragen onverwijld te regelen dat de Dienst Terugkeer & Vertrek (DT&V) het vertrek van verzoeker naar Turkije faciliteert in samenwerking met verzoeker en zijn gemachtigde. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld in de proceskosten van verzoeker.
Uitkomst: De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe en draagt de staatssecretaris op om het vertrek van verzoeker naar Turkije op 2 januari 2024 te faciliteren.