ECLI:NL:RBDHA:2023:20458

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 december 2023
Publicatiedatum
22 december 2023
Zaaknummer
NL23.23218
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55c AwbArt. 8:55d Awb
Verwijzingen
11 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit niet tijdig nemen verblijfsvergunning en oplegging dwangsom

Eiseres had op 22 juni 2020 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, die op 21 september 2020 door de staatssecretaris werd afgewezen. De rechtbank had op 28 juni 2022 het eerdere besluit gedeeltelijk vernietigd en de staatssecretaris opgedragen een nieuwe beslissing te nemen. Na ingebrekestelling door eiseres en het uitblijven van een nieuw besluit, stelde eiseres beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit.

De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat de wettelijke beslistermijn ruimschoots is verstreken en de staatssecretaris rechtsgeldig in gebreke is gesteld. De rechtbank legt een termijn van acht weken vast waarbinnen de staatssecretaris alsnog een besluit moet nemen, waarbij een dwangsom wordt opgelegd van €100 per dag overschrijding met een maximum van €7.500.

Daarnaast veroordeelt de rechtbank de staatssecretaris tot betaling van de proceskosten van eiseres, vastgesteld op €418,50. De rechtbank volgt hierbij de jurisprudentie omtrent het 8+8-wekenmodel en benadrukt het belang van een zorgvuldige besluitvorming binnen een redelijke termijn.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het niet tijdig genomen besluit en legt een dwangsom op aan de staatssecretaris.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.23218

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiseres

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. T. der Bedrosian),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris

Inleiding

Bij besluit van 21 september 2020 heeft de staatssecretaris de aanvraag van eiseres van 22 juni 2020 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen.
Bij uitspraak van 28 juni 2022 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle het beroep van eiseres gegrond verklaard (NL20.17504).
De rechtbank heeft het besluit van 21 september 2020 gedeeltelijk vernietigd en de staatssecretaris opgedragen om een nieuwe (gedeeltelijke) beslissing te nemen met inachtneming van de uitspraak.
Eiseres heeft de staatssecretaris in gebreke gesteld bij bericht van 12 juli 2023. De staatssecretaris heeft bevestigd de ingebrekestelling op 15 juli 2023 te hebben ontvangen. Op 14 augustus 2023 is namens eiseres beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
Met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank het onderzoek vervolgens gesloten.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. Tegen het niet tijdig beslissen staat dan ook beroep bij de rechtbank open.
2. Op grond van artikel 6:12, eerste lid, van de Awb is het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet aan een termijn gebonden.
3. Op grond van het tweede lid van artikel 6:12 van Pro de Awb kan het beroepschrift worden ingediend zodra:
a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en
b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop de belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.
4. De rechtbank stelt vast dat de wettelijke beslistermijn ruimschoots is verstreken, dat eiseres de staatssecretaris rechtsgeldig in gebreke heeft gesteld en dat sindsdien meer dan twee weken zijn verstreken.
5. Het beroep is daarom kennelijk gegrond.
6. Omdat het beroep gegrond is, zal de rechtbank, gelet op de jurisprudentie ter zake (ECLI:NL:RVS:2022:3352 en ECLI:NL:RVS:2022:3353) een rechterlijke dwangsom opleggen en met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb bepalen dat de staatssecretaris alsnog een besluit bekend dient te maken op de aanvraag van eiseres. In de uitspraak van 8 juli 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1560) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State het 8+8-wekenmodel passend geacht.
7. De rechtbank is van oordeel dat in de gevallen waarin, zoals hier, de rechtbank de staatssecretaris reeds geruime tijd geleden heeft opgedragen een nieuw besluit te nemen, in beginsel een kortere termijn dan zou volgen uit het 8+8-wekenmodel dient te worden gegeven om een beslissing te nemen op de aanvraag. Anderzijds blijft het van belang dat de beslissing op zorgvuldige wijze wordt genomen. De rechtbank zal daarom tot uitgangspunt nemen dat de staatssecretaris in dit geval binnen acht weken op de aanvraag dient te beslissen. Dit betekent dat de staatssecretaris binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend moet maken.
8. Met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb bepaalt de rechtbank dat de staatssecretaris een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn wordt overschreden door de staatssecretaris. Daarbij geldt wel een maximum van € 7.500,-.
9. De rechtbank veroordeelt de staatssecretaris in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op
€ 418,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van
€ 837,- en een wegingsfactor 0,5).
10. De rechtbank komt - gelet op de onder 6. vermelde jurisprudentie - niet toe aan de vaststelling van de bestuurlijke dwangsom als bedoeld in artikel 8:55c van de Awb.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
-vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt de staatssecretaris op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken;
- bepaalt dat de staatssecretaris aan eiseres een dwangsom van € 100,-- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,--;
- veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 418,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J. Tijnagel, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.