ECLI:NL:RBDHA:2023:20031

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 december 2023
Publicatiedatum
18 december 2023
Zaaknummer
NL23.29583
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Richtlijn 2001/55/EGUitvoeringsbesluit (EU) 2022/382Art. 5 Richtlijn 2001/55/EG
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging tijdelijke bescherming Nigeria, derdelander Oekraïne niet onrechtmatig

Eiser maakte bezwaar tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn tijdelijke bescherming, verleend op grond van Richtlijn 2001/55/EG en Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382, te beëindigen op 4 september 2023. De rechtbank Den Haag behandelde het beroep op 21 november 2023 en onderzocht de beroepsgronden van eiser.

De rechtbank verwijst naar een eerdere uitspraak van 30 oktober 2023 waarin is vastgesteld dat de staatssecretaris bevoegd is om de tijdelijke bescherming van de facultatieve groep, waaronder eiser valt, te beëindigen. De rechtbank oordeelt dat eiser geen ondubbelzinnige toezegging heeft ontvangen dat zijn tijdelijke bescherming langer zou duren, waardoor het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt.

Verder wijst de rechtbank het beroep af omdat eiser onvoldoende onderbouwt dat sprake is van ongelijke behandeling ten opzichte van Oekraïners en derdelanders in het buitenland. Ook acht de rechtbank het niet onredelijk dat de beëindiging plaatsvindt terwijl de asielprocedure van eiser nog loopt en hij een aanvraag voor een werkvergunning kan indienen.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter T.A. Oudenaarden en openbaar gemaakt op 18 december 2023.

Uitkomst: Het beroep tegen de beëindiging van de tijdelijke bescherming is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.29583

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. F.H. Gart),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. A.N. Sap).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van verweerder van 23 augustus 2023 waarbij verweerder aan eiser heeft medegedeeld dat zijn recht op tijdelijke bescherming, als bedoeld in Richtlijn 2001/55/EG (de Richtlijn) [1] en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 (het Uitvoeringsbesluit), [2] eindigt op 4 september 2023 (het bestreden besluit).
1.1.
Op 3 juli 2023 heeft verweerder zijn voornemen kenbaar gemaakt om de tijdelijke bescherming van eiser op 4 september 2023 te beëindigen. Eiser heeft zijn zienswijze ingebracht. Vervolgens is het bestreden besluit genomen, waartegen het beroep zich richt.
1.2.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 21 november 2023 op zitting behandeld. Aan de zitting hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde, een tolk en de gemachtigde van verweerder. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de beëindiging van de tijdelijke bescherming van eiser aan de hand van zijn beroepsgronden.
3. Bij uitspraak van 30 oktober 2023 heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats geoordeeld dat verweerder bevoegd was de tijdelijke bescherming voor de groep die is aangeduid als facultatieve groep, waaronder eiser valt, te beëindigen. [3] Ook is in die uitspraak geoordeeld dat de beëindiging niet in strijd is met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel.
4.1.
De rechtbank stelt vast dat een deel van eisers beroepsgronden eveneens betrekking hebben op de bevoegdheid van verweerder, het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel. Deze beroepsgronden slagen niet. De rechtbank ziet in wat eiser naar voren heeft gebracht, geen aanleiding om anders te oordelen dan in de bovengenoemde uitspraak van 30 oktober 2023 en maakt de dragende overwegingen in die uitspraak tot de hare. In de uitspraak heeft de rechtbank het A2A arrest waar eiser naar heeft verwezen betrokken. [4] Eisers verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. [5] De rechtbank is bekend met de uitspraak, maar volgt in eisers zaak de lijn die deze rechtbank en zittingsplaats in haar uitspraak van 30 oktober 2023 heeft uitgezet. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een ondubbelzinnige toezegging dat de aan hem facultatief geboden tijdelijke bescherming langer zou duren dan 4 september 2023. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt om die reden.
4.2.
De rechtbank volgt eiser verder niet in het betoog dat de beëindiging van zijn tijdelijke bescherming in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, omdat eiser dit niet nader heeft onderbouwd. Daartoe acht de rechtbank de enkele stelling dat Oekraïners en derdelanders in het buitenland wel een status verkrijgen, onvoldoende voor het oordeel dat sprake is van gelijke gevallen, dan wel van een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling van deze gevallen.
5. De rechtbank ziet in wat door eiser overigens naar voren is gebracht evenmin grond voor het oordeel dat verweerder geen gebruik kon maken van de bevoegdheid de tijdelijke bescherming van eiser op 4 september 2023 te beëindigen. Daartoe overweegt de rechtbank dat eisers asielprocedure aanhangig is waarin de door hem gestelde vrees bij terugkeer naar Nigeria beoordeeld dient te worden en dat eiser, indien hij een werkvergunning wenst hij een daartoe strekkende aanvraag kan indienen. In dit verband heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat voornoemde omstandigheden niet onder het doel en de strekking van de Richtlijn vallen.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, rechter, in aanwezigheid van A.J. van Bruggen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak bekend is gemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Richtlijn 2001/55/EG betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.
2.Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van de Raad van 4 maart 2022 tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne in de zin van artikel 5 van Pro de Richtlijn, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan.
4.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 3 september 2015, in de zaak C-89/14, ECLI:EU:C:2015:537.