ECLI:NL:RBDHA:2023:19987

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 december 2023
Publicatiedatum
18 december 2023
Zaaknummer
NL23.27310
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbRichtlijn 2001/55/EG
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen beëindiging tijdelijke bescherming wegens vertrek uit Nederland

Eiser, een Turkmeense nationaliteit dragende persoon, heeft op 17 augustus 2022 asiel aangevraagd in Nederland en verblijf gekregen op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming. Verweerder heeft bij besluit van 29 augustus 2023 het recht op tijdelijke bescherming beëindigd met ingang van 4 september 2023.

Uit stukken blijkt dat eiser Nederland op 19 september 2023 onder toezicht heeft verlaten. De gemachtigde van eiser bevestigt dit vertrek, maar geeft geen informatie over contact of verblijfplaats van eiser. De rechtbank stelt op grond van vaste jurisprudentie vast dat eiser niet langer prijs stelt op internationale bescherming in Nederland.

Daarom ontbreekt het aan een actueel procesbelang bij eiser om het beroep inhoudelijk te behandelen. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk en wijst een proceskostenveroordeling af. De uitspraak is gedaan zonder zitting op basis van artikel 8:54 Awb Pro.

Uitkomst: Het beroep tegen de beëindiging van de tijdelijke bescherming is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.27310

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser], eiser

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. J.I.T. Sopacua),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 29 augustus 2023 (bestreden besluit) om zijn recht op tijdelijke bescherming te beëindigen vanaf 4 september 2023.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb [1] uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1991 en heeft de Turkmeense nationaliteit. Eiser heeft op 17 augustus 2022 asiel aangevraagd in Nederland. Verweerder heeft eiser verblijf verleend op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming. [2] Bij het bestreden besluit is dat recht beëindigd. Uit het bericht van verweerder van 24 oktober 2023 blijkt dat eiser op 19 september 2023 Nederland onder toezicht heeft verlaten. In zijn schriftelijke reactie van 11 december 2023 heeft de gemachtigde van eiser bevestigd dat eiser Nederland heeft verlaten. Uit deze reactie blijkt niet of er nog contact is met eiser en of de gemachtigde op de hoogte is van de huidige woon- of verblijfplaats van eiser.
2. Gelet op vaste jurisprudentie [3] neemt de rechtbank aan dat eiser niet langer prijs stelt op de aanvankelijk gezochte internationale bescherming in Nederland. Eiser heeft geen belang meer bij de inhoudelijke beoordeling van zijn beroep.
3. Het beroep is niet-ontvankelijk.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding..

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.
2.Richtlijn 2001/55/EG.
3.Onder meer de uitspraak van deAfdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:579.