ECLI:NL:RBDHA:2023:19780

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 november 2023
Publicatiedatum
14 december 2023
Zaaknummer
NL23.35825
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b Vreemdelingenwet 2000Art. 8, derde lid, onderdeel e, Opvangrichtlijn
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen maatregel van vreemdelingenbewaring wegens gevaar voor openbare orde ongegrond verklaard

Eiser, een Marokkaanse vreemdeling, werd op 31 oktober 2023 in bewaring gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 vanwege een actueel gevaar voor de nationale veiligheid en openbare orde. Eiser stelde dat de overbrenging naar het detentiecentrum langer dan 24 uur duurde en dat de maatregel onrechtmatig was.

De rechtbank oordeelde dat eiser niet langer dan 24 uur in een politiecel verbleef en dat de overbrenging rechtmatig was. Daarnaast vond de rechtbank dat de maatregel van bewaring terecht was opgelegd omdat uit de maatregel van bewaring en de registratiekaart van DJI bleek dat eiser recentelijk in strafrechtelijke detentie zat, wat een actueel gevaar voor de openbare orde impliceert.

Eisers betwisting dat de eerdere maatregel van bewaring op 17 mei 2023 was opgeheven en dat de huidige maatregel op dezelfde feiten berustte, werd verworpen. De rechtbank achtte de onderbouwing van verweerder voldoende en concludeerde dat de maatregel niet onrechtmatig was.

Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL23.35825
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. V. Senczuk), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. F. Faddach).

Procesverloop

Bij besluit van 31 oktober 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 20 november 2023 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A.S. Choukti. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft de Marokkaanse nationaliteit en is geboren op [1995] .
Overbrenging
2. Eiser voert aan dat de overbrenging onrechtmatig is verlopen en dat daarom de maatregel van bewaring onrechtmatig aan hem is opgelegd. Volgens eiser heeft het overbrengen naar het detentiecentrum langer dan 24 uur geduurd.
3. De rechtbank overweegt als volgt. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 16 november 2022¹ volgt onder andere dat een vreemdeling een korte periode in een politiecel mag worden geplaatst om het vervoer naar en de plaatsing in een gespecialiseerde inrichting te regelen. Wanneer dat lang duurt, bijvoorbeeld langer dan 24 uur, moet verweerder motiveren waarom hij langer nodig
had. In het geval van eiser is de maatregel van bewaring opgelegd op 31 oktober 2023 om 15:15 uur en is hij op 1 november 2023 om 11:24 uur aangekomen in het detentiecentrum Rotterdam. Eiser heeft dus niet langer dan 24 uur in een politiecel verbleven. De beroepsgrond slaagt niet.
De grondslag van de maatregel
4. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat eiser een gevaar vormt voor de nationale veiligheid of openbare orde als bedoeld in artikel 8, derde lid, onderdeel e, van de Opvangrichtlijn.
5. Eiser betwist nog langer een actueel gevaar voor de openbare orde te zijn. Daartoe stelt hij dat op 17 mei 2023 de eerdere vreemdelingenbewaring op dezelfde grond is opgeheven in verband met dreigende termijnoverschrijding asiel en de huidige bewaring op dezelfde feiten berust. Verder heeft verweerder onvoldoende onderbouwd waarom sprake is van een actueel gevaar, omdat de delicten gepleegd in mei en juni van dit jaar alleen in de maatregel van bewaring worden genoemd en niet blijkt uit een proces-verbaal.
6. In artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder d van de Vw is bepaald dat bewaring kan worden opgelegd indien de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid of openbare orde als bedoeld in artikel 8, derde lid, onderdeel e, van de Opvangrichtlijn. De rechtbank ziet in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder hem niet op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw in bewaring heeft mogen stellen. De rechtbank acht daartoe van belang dat in de op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte maatregel van bewaring, waarvan in beginsel mag worden uitgegaan, duidelijk en concreet de veroordelingen en de periodes van detentie vermeld op grond waarvan verweerder concludeert dat eiser een gevaar vormt voor de nationale veiligheid en openbare orde. De enkele niet nader onderbouwde beroepsgrond dat niet van de mededelingen uit het proces-verbaal kan worden uitgegaan slaagt niet. Verder blijkt ook uit de registratiekaart DJI van 25 oktober 2023 dat eiser van 4 juli 2023 tot en met 31 oktober 2023 in strafrechtelijke detentie heeft gezeten, waaruit een actueel gevaar blijkt. Eisers standpunt dat hij geen actueel gevaar vormt omdat de eerdere maatregel van bewaring op 17 mei 2023 is opgeheven, volgt de rechtbank ook niet. Verweerder heeft ter zitting immers onderbouwd dat sprake was van een ambtelijke misslag hetgeen de rechtbank ook uit het dossier kan opmaken. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
7. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van
K.F.K. Hoogbruin, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
23 november 2023

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.