De rechtbank Den Haag behandelde een verzoek van de vader tot teruggeleiding van vijf minderjarige kinderen naar Frankrijk, waar zij hun gewone verblijfplaats hadden voordat zij zonder toestemming van de vader naar Nederland werden gebracht. De kinderen verblijven sinds juli 2023 in Nederland, nadat de vader en moeder afzonderlijk met delen van het gezin naar Nederland waren vertrokken en niet zijn teruggekeerd.
De rechtbank oordeelde dat de overbrenging van de kinderen naar Nederland ongeoorloofd was volgens het Haagse Verdrag inzake internationale kinderontvoering. De onmiddellijke terugkeer van de kinderen naar Frankrijk werd gelast, omdat minder dan een jaar was verstreken sinds de overbrenging en er geen gegronde weigeringsgronden waren aangetoond.
De moeder voerde aan dat terugkeer een ernstig risico op lichamelijk of geestelijk gevaar voor de kinderen zou opleveren, maar de rechtbank vond haar betoog onvoldoende concreet en niet overtuigend. Ook werd vastgesteld dat hulpverlening in Frankrijk kan worden hervat en dat de moeder niet strafrechtelijk vervolgd zal worden bij terugkeer.
De rechtbank bepaalde dat de moeder de kinderen uiterlijk 2 januari 2024 naar Frankrijk moet terugbrengen en dat, indien zij dit nalaat, zij de kinderen aan de vader moet afgeven zodat hij de terugkeer kan verzorgen. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. De bijzondere curator blijft betrokken zolang er hoger beroep wordt ingesteld.