ECLI:NL:RBDHA:2023:19583

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 november 2023
Publicatiedatum
13 december 2023
Zaaknummer
NL23.35315
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b VwArt. 5.3 VbArt. 5.1b Vb
Verwijzingen
9 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van bewaring opgelegd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde dat de maatregel onrechtmatig was omdat hij niet schriftelijk en in een taal die hij verstaat op de hoogte was gesteld van de redenen van bewaring, zoals vereist in artikel 5.3 van het Vreemdelingenbesluit.

De rechtbank stelde vast dat deze informatieplicht inderdaad niet volledig was nageleefd, wat een schending opleverde. Echter, dit gebrek werd als relatief gering beoordeeld omdat eiser voorafgaand aan de bewaring mondeling en met behulp van een tolk in het Marokkaans Arabisch wel werd geïnformeerd over de gronden van de maatregel. Eiser bevestigde bovendien dat hij de uitleg begreep en had kosteloze rechtsbijstand ontvangen.

De rechtbank oordeelde dat de zwaarste gronden voor de bewaring voldoende waren gemotiveerd en feitelijk juist. De maatregel was niet onrechtmatig en het beroep werd ongegrond verklaard. Tevens werd het verzoek om schadevergoeding afgewezen en werden geen proceskosten toegewezen. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL23.35315
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser V-nummer: [V nummer]

(gemachtigde: mr. M.B.J. Strooij), en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. S. Faddach).

Procesverloop

Bij besluit van 6 november 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 20 november 2023 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A.S. Choukti. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt op de zitting dat hij [naam] is, de Marokkaanse nationaliteit heeft en geboren is op [geboortedatum] 1996.
Artikel 5.3, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb)
2. Eiser voert aan dat verweerder heeft gehandeld in strijd met artikel 5.3, eerste lid, van het Vb. Bij de uitreiking van de maatregel van bewaring heeft verweerder hem niet schriftelijk, in een taal die hij verstaat, op de hoogte gebracht van de redenen van bewaring.
3. De rechtbank stelt vast dat niet is betwist dat de uitreiking van de maatregel van bewaring niet heeft plaatsgevonden met inachtneming van de informatieplicht van artikel 5.3, eerste lid, van het Vb. Dit levert weliswaar een schending op, maar deze schending leidt er niet direct toe dat er geen rechtsgeldige maatregel tot stand is gekomen en de bewaring daarom onrechtmatig is. Wel leidt de schending tot een belangenafweging. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
(Afdeling) van 15 november 20231, waaruit dit volgt. De rechtbank overweegt dat het gaat om een relatief gering gebrek, omdat in het gehoor voorafgaand aan de bewaring aan eiser –met behulp van een tolk in de Marokkaans Arabische taal – is meegedeeld op welke gronden de maatregel van bewaring aan hem is opgelegd. Aan eiser is vervolgens gevraag of eiser de uitleg goed heeft begrepen. Eiser heeft daarop geantwoord: “ja.” De rechtbank leidt hieruit af dat eiser bij de uitreiking al op de hoogte was van de redenen van bewaring.
Verder is aan eiser wel kosteloze rechtsbijstand toegekend en heeft zijn advocaat namens hem ook kort na het opleggen van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiser wel in staat is gesteld om rechtsmiddelen effectief in te stellen tegen de bewaring en niet is gebleken dat hij in zijn belangen is geschaad.
Hoewel sprake is van een gebrek, heeft eiser geen recht op vergoeding van de proceskosten. De rechtbank verwijst daarvoor naar rechtsoverweging 10 van de uitspraak van de Afdeling van 15 november 2023. De beroepsgrond slaagt niet.
De gronden van de maatregel
4. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. Eiser betwist de zware grond onder 3d, omdat deze grond in de maatregel van bewaring onvoldoende is gemotiveerd.
6. De rechtbank oordeelt dat de zware gronden onder 3a en 3b feitelijk juist zijn en voldoende gemotiveerd. De gronden onder 3a en 3b kunnen de maatregel al dragen.2 Al om die reden treft de beroepsgrond geen doel en behoeven de overige gronden geen bespreking meer.
Ambtshalve toetsing
7. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is,3 is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
2 Zie de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
3 ECLI:EU:C:2022:858.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van
K.F.K. Hoogbruin, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
23 november 2023

Documentcode: [Documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.