Uitspraak
[eiser] ,
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
fair balance) tussen de belangen van de vreemdeling en die van de Nederlandse samenleving.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Den Haag
Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, was gehuwd met een Nederlandse vrouw met wie hij samenwoonde en zorgde voor haar minderjarige zoon. Na beëindiging van het huwelijk in november 2019 trok de staatssecretaris de verblijfsvergunning van eiser in met terugwerkende kracht. Eiser stelde dat hij vanaf het begin van het huwelijk rechtmatig verblijf had vanwege een afhankelijkheidsrelatie met zijn stiefzoon, gebaseerd op het Chavez-arrest en verwante jurisprudentie.
De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris terecht de periode van rechtmatig verblijf had vastgesteld op de periode waarin daadwerkelijk een verblijfsvergunning bestond. Het samenwonen met de minderjarige Unieburger leidt niet automatisch tot een weerlegbaar vermoeden van afhankelijkheid, zeker niet als het ouderlijk gezag niet bij eiser lag. Eiser slaagde er niet in aannemelijk te maken dat er een zodanige afhankelijkheidsrelatie bestond dat hij een afgeleid verblijfsrecht kon ontlenen.
Verder oordeelde de rechtbank dat de intrekking van de verblijfsvergunning niet in strijd is met de Gezinsherenigingsrichtlijn of artikel 8 EVRM Pro. De belangenafweging door de staatssecretaris was zorgvuldig en voldoende gemotiveerd, waarbij onder meer het beperkte rechtmatig verblijf, het gebrek aan ouderlijk gezag en het beperkte contact na beëindiging huwelijk werden meegewogen. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.