Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Inleiding
Overwegingen
8 februari 2023 [3] met terugwerkende kracht tot 1 januari 2023. Dit WBV is daarom ook van toepassing op de aanvraag van eiser.
3 februari 2023 [6] , waarin als reden om de verlenging van de wettelijke beslistermijn ook te laten gelden voor asielaanvragen die zijn ingediend vanaf 1 januari 2023 is opgenomen dat
– kort gezegd – de instroom is gestegen en de verwachting is dat die zal blijven stijgen in 2023, gecombineerd met onvoldoende besliscapaciteit bij de IND [7] om die instroom bij te houden. Dat maakt volgens verweerder dat het niet realistisch is om te verwachten dat in 2023 de IND de asielaanvragen zorgvuldig kan behandelen binnen de standaard wettelijke termijn van 6 maanden.
8 november 2023 [10] heeft gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over WBV 2022/22, de voorganger van WBV 2023/3. De rechtbank ziet hierin geen aanleiding om af te wijken van haar oordeel. De rechtbank laat daarbij meewegen dat het, gelet op de ervaringen met prejudiciële vragen, hoogstwaarschijnlijk enige tijd zal duren voordat deze vragen zijn beantwoord. Zou de rechtbank met het beslissen op deze beroepen wachten totdat de vragen zijn beantwoord, dan zou de behandeling van deze beroepen voor langere tijd moeten worden aangehouden. De rechtbank is van oordeel dat beroepen gericht tegen het niet tijdig beslissen op een (asiel)aanvraag zich naar hun aard niet lenen voor aanhouding voor een langere termijn. De rechtbank kiest er daarom vooralsnog voor om haar eigen oordeel te volgen op dit punt. Daarbij laat de rechtbank verder meewegen dat het in deze procedures enkel gaat om de beslistermijn en geen inhoudelijk oordeel wordt gegeven over een besluit op de asielaanvraag.