ECLI:NL:RBDHA:2023:16616
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Naheffingsaanslag BPM terecht opgelegd ondanks betwisting en hoorplichtgeschil
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd door de Belastingdienst. De aanslag was gebaseerd op een taxatierapport van Domeinen Roerende Zaken (DRZ), dat een hogere handelswaarde en een lagere waardevermindering wegens schade vaststelde dan door eiser was opgegeven. Eiser stelde dat de aanslag onterecht en te hoog was, dat de hoorplicht was geschonden en dat hij recht had op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De rechtbank oordeelde dat eiser terecht als belastingplichtige werd aangemerkt omdat de auto op zijn naam stond, ongeacht dat de aangifte door een ander was gedaan en eiser was opgelicht. De hoorplicht was niet geschonden omdat verweerder voldoende gelegenheid bood tot horen, en het niet verschijnen op het hoorgesprek niet aan verweerder kon worden toegerekend. De rechtbank verwierp de stellingen van eiser over de waardevermindering en de onafhankelijkheid van DRZ als deskundige. Ook het beroep op het EU-recht en het beginsel van wapengelijkheid faalde.
De naheffingsaanslag werd als terecht en correct vastgesteld beoordeeld. De rechtbank kende eiser een vergoeding van € 1.000 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn van ruim acht maanden in de bezwaar- en beroepsfase. Daarnaast werd een proceskostenvergoeding van € 837 toegekend, en werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht. De uitspraak werd gedaan door rechter E. Kouwenhoven op 24 oktober 2023.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM is ongegrond verklaard en eiser krijgt een vergoeding voor immateriële schade en proceskosten wegens termijnoverschrijding.