ECLI:NL:RBDHA:2023:16293
Rechtbank Den Haag
- Verzet
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep asielaanvraag ongegrond verklaard
Opposante heeft op 27 november 2022 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Na het niet tijdig beslissen op haar aanvraag stelde zij de staatssecretaris in gebreke en stelde vervolgens beroep in tegen het uitblijven van een besluit. De rechtbank verklaarde dit beroep niet-ontvankelijk omdat de ingebrekestelling prematuur was ingediend.
Tegen deze niet-ontvankelijkverklaring stelde opposante verzet in. De rechtbank behandelde het verzet zonder zitting, waarbij opposante en haar gemachtigde niet verschenen. De rechtbank beoordeelde of het eerdere oordeel terecht was dat het beroep buiten redelijke twijfel niet-ontvankelijk was.
Opposante voerde aan dat er twijfel bestond over de toepassing van WBV 2022/22 en de toepasselijkheid van de beslistermijnverlenging, mede door uiteenlopende rechtspraak en het ontbreken van een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De rechtbank oordeelde echter dat deze argumenten onvoldoende zijn om het eerdere oordeel te weerleggen, mede omdat deze zittingsplaats eerder in een vergelijkbare zaak dezelfde conclusie trok.
Het verzet wordt ongegrond verklaard, waardoor de eerdere buiten-zittinguitspraak in stand blijft. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep op de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.