ECLI:NL:RBDHA:2023:16241
Rechtbank Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Toekenning transitievergoeding na beëindiging arbeidsovereenkomst bepaalde tijd
De werknemer trad op 1 januari 2022 in dienst bij de werkgever op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, die van rechtswege eindigde op 31 mei 2023. De arbeidsovereenkomst werd niet verlengd. De werknemer verzocht de kantonrechter om betaling van een transitievergoeding van € 1.206,84 netto, vermeerderd met wettelijke verhoging en rente.
De werkgever verscheen niet ter zitting en diende geen verweerschrift in, waardoor het verzoek van de werknemer onbeantwoord bleef. De kantonrechter stelde vast dat de oproeping de werkgever had bereikt en dat het verzoek tijdig was ingediend binnen drie maanden na het einde van de arbeidsovereenkomst.
De kantonrechter oordeelde dat de transitievergoeding verschuldigd is op grond van artikel 7:673 lid 1 BW Pro en wees de gevorderde wettelijke verhoging af omdat deze alleen geldt over loon en de transitievergoeding geen loon is. De wettelijke rente werd toegewezen vanaf een maand na het einde van de arbeidsovereenkomst. De werkgever werd veroordeeld tot betaling van de vergoeding, rente en proceskosten van € 615,00, en de beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De werkgever wordt veroordeeld tot betaling van een transitievergoeding van € 1.206,84 netto met wettelijke rente en proceskosten, terwijl de gevorderde wettelijke verhoging wordt afgewezen.