Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2023:16024

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 februari 2023
Publicatiedatum
24 oktober 2023
Zaaknummer
C/09/642395/KG RK 23-188
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:18 AwbAlgemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid wrakingsverzoek na einduitspraak voorzieningenrechter

Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen de rechters die hadden beslist over een eerder wrakingsverzoek in een bestuursrechtelijke procedure tegen een beslissing van het UWV. Dit eerdere wrakingsverzoek was gericht tegen de voorzieningenrechter en was niet-ontvankelijk verklaard omdat het was ingediend nadat de voorzieningenrechter al einduitspraak had gedaan.

Het huidige wrakingsverzoek betrof de rechters die deze niet-ontvankelijkheidsbeslissing hadden genomen. De wrakingskamer oordeelde dat een wrakingsverzoek alleen ontvankelijk is indien het wordt ingediend voordat de rechter einduitspraak doet in de zaak waarop het verzoek betrekking heeft. Omdat de voorzieningenrechter al einduitspraak had gedaan in de voorlopige voorziening, was wraking niet meer mogelijk.

De wrakingskamer benadrukte dat de procedure voor voorlopige voorziening losstaat van de hoofdzaak en dat de wet geen mogelijkheid biedt tot wraking na einduitspraak. Daarom werd het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk verklaard en werd geen mondelinge behandeling gehouden. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: Wrakingsverzoek niet-ontvankelijk verklaard omdat het na einduitspraak voorzieningenrechter was ingediend.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Wrakingskamer
wrakingnummer 2023/28
zaak- /rekestnummer: C/09/642395 / KG RK 23-188
Beslissing van 17 februari 2023
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van
mrs. M.J. Alt-van Endt, S.M. Krans en A.M.A. Keulen,
rechters in deze rechtbank.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het schriftelijke wrakingsverzoek van 7 februari 2023.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Verzoeker heeft eerder een verzoek tot wraking ingediend (hierna: het eerste wrakingsverzoek, zaak met kenmerk C/09/641656 / KG RK 23-106). Het eerste wrakingsverzoek was gericht tegen mr. M. Munsterman (hierna: de voorzieningenrechter). Het eerste wrakingsverzoek is door mrs. M.J. Alt-van Endt, S.M. Krans en A.M.A. Keulen bij beslissing van 31 januari 2023 niet-ontvankelijk verklaard.
2.2.
Het verzoek strekt tot wraking van de rechters die hebben beslist op het eerste wrakingsverzoek. Verzoeker stelt dat hij het verzoek indient naar aanleiding van de beslissing van 31 januari 2023.

3.De beoordeling

3.1.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid.
3.2.
Het eerste wrakingsverzoek is ingediend in een bestuursrechtelijke procedure. Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen een beslissing op bezwaar van de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv). Daarnaast heeft verzoeker verzocht voorlopige voorzieningen te treffen. De voorzieningenrechter voornoemd heeft het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen kennelijk ongegrond verklaard en afgewezen. Naar aanleiding van die beslissing heeft verzoeker het eerste wrakingsverzoek ingediend. De rechters hebben het eerste wrakingsverzoek niet-ontvankelijk verklaard, omdat het was ingediend nadat door de voorzieningenrechter einduitspraak was gedaan. Verzoek stelt nu, in zijn wrakingsverzoek van 7 februari 2023, kort samengevat, dat een wrakingsverzoek niet kan worden ingediend nadat einduitspraak is gedaan in de hoofdzaak, maar dat in de Algemene wet bestuursrecht nergens staat dat de bestuursrechter niet kan worden gewraakt nadat deze uitspraak heeft gedaan in een voorlopige voorziening. De wrakingskamer merkt hierover op dat de procedure tot het treffen van een voorlopige voorziening los moet worden gezien van de procedure betreffende het beroep tegen de beslissing op bezwaar van het Uwv. In de procedure tot het treffen van een voorlopige voorzieningenrechter was door de voorzieningenrechter einduitspraak gedaan. Daarmee was de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening voltooid en was een verzoek tot wraking van de voorzieningenrechter als behandelend rechter van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet meer mogelijk.
3.3.
Los van de inhoud van de door de rechters op het eerste wrakingsverzoek genomen beslissing, is het zo dat de rechters alleen waren belast met de behandeling van het eerste wrakingsverzoek. Zij hebben op het eerste wrakingsverzoek beslist en dat is een einduitspraak geweest. Het verzoek tot wraking van de rechters is ingediend na die einduitspraak. De wet voorziet niet in de mogelijkheid van wraking nadat einduitspraak is gedaan in de zaak waarop het wrakingsverzoek betrekking heeft. Om die reden kan verzoeker ook niet in het verzoek tot wraking van de rechters worden ontvangen. Voor een behandeling van het verzoek ter terechtzitting bestaat geen reden. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek, maar aan dat debat wordt gezien het vorenstaande niet toegekomen.

4.De beslissing

De wrakingskamer
4.1.
verklaart het verzoek tot wraking niet-ontvankelijk;
4.2.
beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 8:18, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt toegezonden aan:
  • verzoeker;
  • de voorzieningenrechter, mr. Munstermann;
  • de rechters mrs. M
Deze beslissing is gegeven door mrs. M. Kramer, R. Cats, S.M. Westerhuis-Evers, in tegenwoordigheid van de griffier mr. I. Diephuis-Timmer en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2023.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.