ECLI:NL:RBDHA:2023:15878
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf bij pleegmoeder en (half)zus wegens ontbreken gezinsleven
Eisers hebben een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aangevraagd om bij hun pleegmoeder en (half)zus, de referente, in Nederland te wonen. De aanvragen werden door de staatssecretaris afgewezen, en na bezwaar en eerdere rechterlijke uitspraak werd opnieuw besloten tot afwijzing. Eisers voeren aan dat zij recht hebben op verblijf omdat zij gezinsleven met de referente uitoefenen, die feitelijk voor hen heeft gezorgd.
De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris terecht heeft geconcludeerd dat er geen pleegouder-pleegkindrelatie bestaat en dat er geen 'more than normal emotional ties' zijn tussen de meerderjarige eiseres 1 en de referente. Voor de minderjarige eisers is wel sprake van hechte persoonlijke banden, maar de belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro valt in hun nadeel uit.
De staatssecretaris heeft alle relevante feiten betrokken, waaronder het feit dat eisers sinds 2017 bij een andere verzorger verblijven, dat de banden met Guinee sterker zijn dan met Nederland, en dat de socio-economische positie van de referente onzeker is. Ook het feit dat de referente de eisers financieel kan blijven ondersteunen en contact kan onderhouden via moderne communicatiemiddelen, weegt mee. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, waardoor eisers geen verblijfsrecht krijgen.
Uitkomst: Het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard.