ECLI:NL:RBDHA:2023:15719

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 juni 2023
Publicatiedatum
19 oktober 2023
Zaaknummer
NL23.12432
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 6:2 AwbArt. 7:1 AwbArt. 6:12 AwbArt. 25 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig besluit op aanvraag machtiging voorlopig verblijf nareis asiel

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op hun aanvraag tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf nareis asiel. De aanvraag werd op 22 juni 2022 ingediend, waarna verweerder de beslistermijn met drie maanden verlengde. Eisers stelden verweerder op 11 januari 2023 in gebreke en dienden vervolgens tijdig beroep in.

De rechtbank heeft geen zitting gehouden omdat partijen geen zitting wensten. De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat verweerder niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist. De rechtbank verwijst naar een eerdere uitspraak van 17 maart 2023 waarin is vastgesteld dat bij nareisaanvragen sprake is van een bijzondere situatie die een aangepaste beslistermijn rechtvaardigt.

Eisers verzetten zich tegen toepassing van deze uitgangspunten, onder meer vanwege de maximale beslistermijn van negen maanden uit de Gezinsherenigingsrichtlijn, maar de rechtbank volgt dit verweer niet. De rechtbank legt verweerder op binnen vier weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit te nemen. Bij overschrijding van deze termijn geldt een dwangsom van € 100 per dag, met een maximum van € 7.500.

Daarnaast veroordeelt de rechtbank verweerder tot vergoeding van de proceskosten van eisers en het griffierecht. Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend en heeft niet gereageerd op de verzoeken van de rechtbank. De uitspraak is openbaar en definitief voor zover het bestuursrecht betreft.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en verweerder wordt opgedragen binnen vier weken alsnog een besluit te nemen onder dreiging van een dwangsom.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.12432 en NL23.12434
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser]en
[eiseres], eisers
V-nummer: [V-nummer 1] en [V-nummer 2]
(gemachtigde: mr. I.C. van Krimpen), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eisers hebben ingediend, omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op hun aanvraag tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf nareis asiel (de aanvraag).
Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en heeft gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.1
2. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld.2 Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.3
Is het beroep ontvankelijk en gegrond?
3. Eisers hebben op 22 juni 2022 hun aanvraag ingediend. Verweerder moet uiterlijk binnen 90 dagen na ontvangst van de aanvraag beslissen.4 Verweerder heeft de beslistermijn met drie maanden verlengd. Eisers hebben verweerder op 11 januari 2023 in gebreke
1. Artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2 Artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb.
3 Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.
4 Artikel 25, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
gesteld. Dit is na het verstrijken van de beslistermijn. Ook hebben eisers meer dan twee weken na de ingebrekestelling beroep in gesteld. Dit betekent dat het beroep terecht is ingediend.
4. Het beroep is gegrond.
Welke beslistermijn legt de rechtbank verweerder op?
5. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Het bestuursorgaan moet dit in principe doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak.5 In bijzondere gevallen of als dat voor de naleving van wettelijke voorschriften nodig is kan de rechtbank een andere termijn opleggen.6
6. In de uitspraak van 17 maart 2023 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, geoordeeld dat bij nareisaanvragen sprake is van zo'n bijzonder geval.7 Eisers hebben aangevoerd dat de rechtbank in hun zaak de uitgangspunten geformuleerd in de uitspraak van 17 maart 2023 van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem,8 niet mag toepassen. Dit omdat in dat geval de maximale beslistermijn van negen maanden, als vervat in artikel 5, vierde lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn, wordt overschreden. Subsidiair hebben eisers aangevoerd dat de rechtbank onterecht heeft overwogen dat er sprake is van een bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. Verder vragen eisers om een kortere nadere termijn dan de uitgangspunten in de uitspraak van 17 maart 2023 zouden voorschijven.
7. De rechtbank volgt dit standpunt niet. In rechtsoverweging 5 van voornoemde uitspraak van 17 maart 2023 heeft de rechtbank tot uitdrukking gebracht dat de termijn van negen maanden ziet op de beslistermijn. Dit moet worden onderscheiden van de nadere termijn die de rechtbank met deze uitspraak oplegt. Bij het bepalen van een passende nadere termijn maakt de rechtbank een afweging. Daarbij houdt zij rekening met het belang van zowel een snelle als een zorgvuldige besluitvorming. De omstandigheid dat de termijn van negen maanden is of wordt overschreden, is één van de in deze afweging mee te wegen aspecten. Dit heeft de rechtbank bij het formuleren van de uitgangspunten voor het opleggen van een passende nadere termijn onderkend en meegewogen. Ook stellen eisers dat de rechtbank in de uitspraak van 17 maart 2023 onterecht zou hebben overwogen dat er sprake zou zijn van een bijzondere geval of een situatie waarin de naleving van andere wettelijke voorschriften ertoe noopt om een andere termijn te bepalen of andere voorziening te treffen.
Eisers voeren hiertoe aan dat verweerder wel kon anticiperen op de verhoogde asielinstroom, verweerder onvoldoende inspanning zou hebben verricht om extra personeel aan te nemen en de behandeling van nareisaanvragen niet arbeidsintensiever zou zijn geworden sinds januari 2022. De rechtbank volgt dit betoog niet. In de uitspraak van 17 maart 2023 heeft de rechtbank op basis van het samenspel van alle factoren overwogen dat er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. Wat eisers in dit verband hebben aangevoerd geeft de rechtbank geen aanleiding om hier anders over te oordelen. De rechtbank past daarom ook in de zaak van eisers de in de voornoemde uitspraak van 17 maart 2023 geformuleerde uitgangspunten toe.
8. Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend. Evenmin heeft verweerder
5 Artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb.
6 Artikel 8:55d, derde lid, van de Awb.
gereageerd op de brief van de rechtbank van 7 juni 2023, waarin verweerder is verzocht zich uit te laten over de voornoemde uitspraak van 17 maart 2023. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de zaak beslisklaar is en dat verweerder geen extra onderzoekshandelingen hoeft te verrichten om tot een zorgvuldige beslissing te komen. De rechtbank bepaalt daarom dat verweerder binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag moet nemen.
Legt de rechtbank verweerder een rechterlijke dwangsom op?
9. De rechtbank bepaalt in deze zaak dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de in de uitspraak bepaalde beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 7.500,-.9
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eisers gelijk krijgen en dat verweerder binnen vier alsnog een besluit op de aanvragen bekend moet maken. Als verweerder dat niet doet, moet hij een dwangsom betalen.
11. Omdat het beroep gegrond is krijgen eisers ook een vergoeding voor de proceskosten die zij hebben gemaakt. Verweerder moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag omdat eisers een professionele (juridische) hulpverlener hebben ingeschakeld om voor hen een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden, wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 418,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 837,- en een wegingsfactor 0,5). Ook moet verweerder het door eisers betaalde griffierecht vergoeden.10 Verder beschouwt de rechtbank deze zaken vanwege de inhoud als samenhangende zaken. Daarom blijft de hoogte van de vergoeding beperkt tot het bedrag dat in één zaak zou worden toegekend (artikel 3 Bpb Pro).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep kennelijk gegrond;
  • vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt verweerder op binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit te nemen op de aanvragen van eisers;
  • bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag, waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,-;
  • bepaalt dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht van € 184,- vergoedt;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 418,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Verra, rechter, in aanwezigheid van O.G. Hulsman, griffier.
9 Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb,
10 Artikel 8:74, eerste lid, van de Awb.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
30 juni 2023

Documentcode: [documentcode]

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.