ECLI:NL:RBDHA:2023:15677
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugvordering rechtsbijstandskosten na intrekking toevoeging zonder zwaarwegende omstandigheden
In deze bestuursrechtelijke zaak staat de terugvordering van rechtsbijstandskosten centraal nadat de toevoeging aan eiseres met terugwerkende kracht werd ingetrokken wegens het overschrijden van het heffingsvrij vermogen. Eiseres betoogde dat de kosten van rechtsbijstand het behaalde resultaat overstegen en dat zij door haar financiële situatie en zorg voor minderjarige kinderen niet in staat zou zijn de vordering te voldoen, waardoor zwaarwegende omstandigheden zich zouden voordoen die terugvordering zouden moeten voorkomen.
De rechtbank stelde vast dat verweerder de draagkracht van eiseres zorgvuldig had onderzocht op basis van haar actuele financiële gegevens, inclusief het netto-inkomen, lasten en de beslagvrije voet. Verweerder had ook rekening gehouden met de lage woonlasten vanwege de hypotheekvrije woning. Het enkele feit dat de rechtsbijstandskosten hoger waren dan het behaalde resultaat, werd door verweerder als indicatie meegenomen maar niet als doorslaggevend beschouwd.
Eiseres kon onvoldoende concrete gegevens overleggen die aantonen dat zij langdurige betalingsonmacht heeft of dat de vordering oninbaar is. Verweerder had bovendien een aflossingsvoorstel gedaan met een termijn van 50 maanden, waarop eiseres niet had gereageerd. De rechtbank oordeelde dat verweerder op zorgvuldige wijze en met deugdelijke motivering tot het bestreden besluit was gekomen en dat geen zwaarwegende omstandigheden waren aangetoond.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het besluit tot terugvordering bleef in stand. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend. De uitspraak werd gedaan door rechter A.M.H. van der Poort-Schoenmakers op 20 oktober 2023.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van € 12.514,14 blijft in stand.