ECLI:NL:RBDHA:2023:15537

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 oktober 2023
Publicatiedatum
16 oktober 2023
Zaaknummer
NL23.12037
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:12 AwbArt. 8:54 AwbArt. 42 Vw2000Art. 6:2 Awb
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens prematuur ingediend beroep tegen niet tijdig beslissen asielaanvraag

Eiser heeft op 23 september 2022 een asielaanvraag ingediend. Volgens de Vreemdelingenwet moet de staatssecretaris binnen zes maanden beslissen, met een mogelijke verlenging van negen maanden bij een grote instroom van aanvragen. De wettelijke beslistermijn zou oorspronkelijk op 23 maart 2023 eindigen.

Eiser stelde de staatssecretaris op 4 april 2023 in gebreke wegens het niet tijdig beslissen en diende op 20 april 2023 beroep in tegen het uitblijven van een besluit. De staatssecretaris heeft geen verweerschrift ingediend.

De rechtbank oordeelt dat met de inwerkingtreding van het WBV 2022/22 de beslistermijn voor asielaanvragen die op 27 september 2022 nog openstonden met negen maanden is verlengd. Dit betekent dat de beslistermijn voor eiser pas op 23 december 2023 eindigt. De rechtbank volgt een eerdere uitspraak waarin deze verlenging rechtsgeldig werd bevonden.

Omdat de ingebrekestelling van 4 april 2023 prematuur was, voldoet het beroep niet aan de vereisten voor een beroep tegen niet tijdig beslissen. Het beroep wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens prematuur ingediend beroep.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.12037

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

geboren op [geboortedatum]
van Syrische nationaliteit,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. T.M. van der Wal),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld omdat de staatssecretaris volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn asielaanvraag van
23 september 2022. De staatssecretaris heeft ondanks een verzoek daartoe geen verweerschrift ingediend.
1.1.
Bij brief van 4 april 2023 heeft eiseres de staatssecretaris in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. Eiser heeft vervolgens op 20 april 2023 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb [1] uitspraak zonder zitting.
3. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen. [2]
4. Op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vw [3] 2000 moet de staatssecretaris binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag beslissen. Op grond van het vierde lid, aanhef en onder b, van dit artikel kan de termijn, als bedoeld in het eerste lid, met ten hoogste negen maanden worden verlengd, indien een groot aantal vreemdelingen tegelijk een aanvraag indient waardoor het in de praktijk zeer moeilijk is de procedure binnen de termijn van zes maanden af te ronden.
5. Eiser heeft de aanvraag ingediend op 23 september 2022. De wettelijke beslistermijn van zes maanden zou in het geval van eiser op 23 maart 2023 eindigen. De staatssecretaris heeft echter, met inwerkingtreding van het WBV 2022/22 [4] , de beslistermijn van asielaanvragen, waarop op 27 september 2022 nog niet was beslist, met negen maanden verlengd. Dit betekent dat deze termijn voor eiser pas op 23 december 2023 zal eindigen. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft in de uitspraak van haar meervoudige kamer van
26 april 2023 (ECLI:NL:RBDHA:2023:6050) geoordeeld dat de staatssecretaris voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat op het moment van de inwerkingtreding van het WBV 2022/22 sprake was van een situatie, zoals bedoeld in artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw. De rechtbank ziet geen grond om in deze zaak van dit oordeel af te wijken. Deze verlenging is, anders dan eiseres stelt, daarom rechtsgeldig. Dat betekent dat de ingebrekestelling van 4 april 2023 prematuur is ingediend. Het beroep voldoet daarom niet aan de vereisten voor het indienen van een beroep tegen het niet tijdig beslissen, als bedoeld in artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is, gelet op het voorgaande, kennelijk niet-ontvankelijk.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, rechter, in aanwezigheid van A.J. Kinds, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.
2.Dit volgt uit de artikelen 6:2 en 6:12 van de Awb.
3.Vreemdelingenwet.
4.Stcrt. 2022, nr. 25775.