Eiser diende op 24 december 2020 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd bij de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn van zes maanden zonder besluit, stelde eiser de staatssecretaris op 29 september 2022 in gebreke en startte op 16 maart 2023 een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat de staatssecretaris niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist. De rechtbank verwijst naar de toepasselijke artikelen uit de Algemene wet bestuursrecht en de Vreemdelingenwet 2000. Tevens wordt ingegaan op de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND en recente uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over de rechtmatigheid van het uitsluiten van bestuurlijke dwangsommen in asielzaken.
De rechtbank bepaalt dat de staatssecretaris binnen acht weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit moet nemen, conform het 8+8-wekenmodel dat door de ABRvS is bevestigd. Daarnaast wordt een dwangsom van €100 per dag opgelegd bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van €7.500. Tot slot veroordeelt de rechtbank de staatssecretaris in de proceskosten van eiser, vastgesteld op €418,50.