Wat betreft de zaakschade aan het pand zijn, behalve de feiten en omstandigheden die hiervoor onder 2.7 zijn genoemd nog de volgende feiten en omstandigheden van belang.
[eisers] zijn toegelaten tot het bewijs van hun stelling dat het pand bij aanvang van de huurovereenkomst in goede staat en zonder gebreken was. Dit bewijs hebben zij geleverd.
Onweersproken staat vast dat [eisers] sedert 14 december 2011 eigenaars van het pand zijn en de door hen betaalde koopprijs van € 1.300.000,00 bedraagt (vergelijk punt 10 van de conclusie van antwoord). Gesteld noch gebleken is dat deze koopprijs niet een naar goed koopmansgebruik vastgestelde prijs is (geweest).
Otto heeft aangevoerd dat het rapport Hermes niet kan dienen ter onderbouwing van de door [eisers] gevorderde schadevergoeding ad € 403.782,00. Dit verweer slaagt.
Het rapport neemt als maatstaf dat het gehuurde zich op 1 juli 2009 in goede staat bevond en niet dan wel onvoldoende kenbaar als maatstaf de gebruikte staat waarin het gehuurde zich op 1 juli 2009 bevond.
Vervolgens beantwoordt het rapport Hermes de vragen “
wat kost(te) het (bij oplevering op 30 juni 2015) om het gehuurde in goede staat te brengen? En wat is de (eventuele) gevolgschade van het gegeven dat het gehuurde op 30 juni 2015 niet in goede staat was ?”.
In het rapport Hermes wordt vervolgens ter onderbouwing gebruik gemaakt van rekeningen en offertes gebaseerd op nieuwwaarde zonder enige aftrek van nieuw voor oud.
Dit alles is door het van de zijde van Otto in het geding gebrachte rapport Frankort aan de orde gesteld en -hoewel zij daartoe in staat zijn gesteld- vervolgens door [eisers] onvoldoende gemotiveerd weersproken.
[eisers] kunnen niet volstaan met algemene stellingen dat Frankort slechts meningen geeft, niet onderbouwde bevindingen poneert en voorbijgaat aan de bepalingen in de huurovereenkomst, de algemene voorwaarden en het addendum en uitgaat van dagwaarden en proportionele schade.
[eisers] hebben bijvoorbeeld niet weersproken dat het eerste bouwdeel van het gehuurde uit het bouwjaar 1974 dateert en het andere bouwdeel uit 1984.
Frankort gaat in diens rapport uit van de gedachte dat het pand reeds volledig is afgeschreven. In het rapport Frankort wordt echter niet vermeld welke dagwaarde is gehanteerd bij de in dat rapport gemaakte schattingen.
De conclusie van dit alles is dat beide rapporten onvoldoende informatie geven om daarop een verantwoorde berekening te baseren van het verschil in waarde tussen het moment dat het pand door de toenmalige eigenaar/verhuurder [naam B.V. 1] op 21 juni 2009 aan Otto ter beschikking is gesteld en het moment dat het pand op 30 juni 2015 terugkeerde in het vermogen van [eisers] , die het pand in december 2011 (dus na aanvang van de huurovereenkomst) voor een bedrag van € 1.300.000,00 hebben verkregen.
Het is volstrekt onaannemelijk dat het pand in de periode tussen december 2011 en 30 juni 2015 vrijwel 30% (€ 403.782,00) aan waarde zou hebben verloren.
Ook hier zal de zaakschade dus moeten worden geschat.
Alle omstandigheden van het geval in aanmerking genomen, wordt de waardevermindering van het pand en daarmee de schade naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geschat op 10% van de door [eisers] betaalde koopprijs, dus € 130.000,00. Ook hier gaat het om schade als gevolg van wanprestatie en is matiging dus niet aan de orde.