ECLI:NL:RBDHA:2023:14462

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 september 2023
Publicatiedatum
26 september 2023
Zaaknummer
96/064330-21
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Raadkamer
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 530 SvArt. 37 SvArt. 398 Sv
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek vergoeding kosten gemachtigde niet-ingeschreven advocaat

De verzoeker werd verdacht van het overtreden van de avondklok en kreeg op 15 maart 2021 een strafbeschikking opgelegd. Hij stelde verzet in, waarna de strafbeschikking op 22 juni 2022 werd ingetrokken wegens onvoldoende bewijs.

De verzoeker vroeg vervolgens vergoeding van de kosten van zijn gemachtigde en de kosten voor het indienen van het verzoekschrift. De rechtbank behandelde het verzoek op 12 september 2023 in raadkamer, waarbij de verzoeker niet verscheen.

De officier van justitie stelde zich op het standpunt dat de wet geen vergoeding van kosten voor een gemachtigde die niet als raadsman staat ingeschreven toelaat. De rechtbank volgde dit standpunt en verwees naar de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2023:344) die bevestigt dat alleen kosten van een raadsman die is ingeschreven op het tableau van de Nederlandse Orde van Advocaten voor vergoeding in aanmerking komen.

Omdat de gemachtigde van verzoeker niet op het tableau staat ingeschreven, wees de rechtbank het verzoek af.

Uitkomst: Het verzoek tot vergoeding van kosten voor een niet-ingeschreven gemachtigde wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Strafrecht
Parketnummer: 96/064330-21
Raadkamernummer: 22-018743
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 530 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[verzoeker]

geboren op [geboortedatum] 1973 te [geboorteplaats] ,
wonende op het adres [adres] ,
(hierna: de verzoeker).

InleidingTegen de verzoeker is de verdenking gerezen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het handelen in strijd met de ministeriële regeling betreffende het vertoeven in de openlucht (avondklok). Aan verzoeker is op 15 maart 2021 een strafbeschikking opgelegd. Verzoeker heeft op 31 maart 2021 verzet ingesteld. Op 22 juni 2022 heeft verzoeker een brief ontvangen van het Openbaar Ministerie met de mededeling dat de strafbeschikking wordt ingetrokken op grond van onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.

De procedure in raadkamerDe rechtbank heeft dit verzoek op 12 september 2023 in openbare raadkamer behandeld en heeft kennis genomen van (een deel van) het strafdossier met bovengenoemd parketnummer.

De verzoeker is - hoewel goed opgeroepen - niet in raadkamer verschenen.
De officier van justitie mr. F.M. de Vries is gehoord.

Het verzoekHet verzoek strekt tot vergoeding van de kosten voor zijn gemachtigde ter hoogte van€ 871,20 en een vergoeding van € 680,00 voor het indienen van het onderhavige verzoekschrift. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat de kosten voor rechtsbijstand toewijsbaar zijn, nu uit recente jurisprudentie blijkt dat kosten die zijn gemaakt door een derde - niet zijnde een advocaat - door beroepsmatig rechtsbijstand te verlenen in een procedure bij de kantonrechter, onder het begrip “kosten raadsman” vallen zoals omschreven in artikel 530 tweede Pro lid Sv.

Het standpunt van de officier van justitieDe officier van justitie heeft gepersisteerd bij de schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie, die strekt tot afwijzing van het verzoek omdat de wet niet voorziet in vergoeding van de kosten van rechtsbijstand door een gemachtigde.

Het oordeel van de rechtbankOp grond van artikel 530 Sv Pro kan aan een gewezen verdachte, wiens strafzaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel een vergoeding worden toegekend voor de schade welke hij ten gevolge van tijdverzuim door het onderzoek en de behandeling van de strafzaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden, alsmede in de kosten van rechtsbijstand.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 7 maart 2023 (ECLI:NL:HR:2023:344) overwogen dat voor de uitleg van het begrip ‘raadsman’ aansluiting gezocht dient te worden bij artikel 37 Sv Pro. Dit artikel schrijft voor dat raadslieden ingeschreven dienen te staan op het tableau van de Nederlandse Orde van Advocaten. Hieruit volgt dat onder de kosten van een raadsman als bedoeld in artikel 530 lid 2 Sv Pro niet kunnen worden begrepen de kosten van degene die op grond van artikel 398, aanhef en onder 2°, Sv de verdachte vertegenwoordigt op de terechtzitting in de strafzaak bij de kantonrechter.
Gelet op het feit dat mr. M.J.M. Berger niet staat ingeschreven op het tableau van de Nederlandse Orde van Advocaten, kan hij niet worden aangemerkt als raadsman in de zin van artikel 37 Sv Pro en komen de kosten van de door hem verleende rechtsbijstand niet voor vergoeding in aanmerking.
Gelet op het voorgaande zal het verzoek worden afgewezen.

BeslissingDe rechtbank wijst het verzoek af.

Aldus gedaan te Den Haag door mr. B.A. Sturm, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. A.C. Veltink, griffier, en uitgesproken op de zitting van 26 september 2023.