ECLI:NL:RBDHA:2023:14299

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 juli 2023
Publicatiedatum
22 september 2023
Zaaknummer
NL23.6905
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 8.17 Vreemdelingenbesluit 2000Richtlijn 2004/38
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag duurzaam verblijf burgers van de Unie wegens onvoldoende onafgebroken verblijf

Eiser, een Marokkaanse staatsburger, heeft een aanvraag ingediend voor een document duurzaam verblijf burgers van de Unie. Verweerder wees deze aanvraag af omdat eiser niet vijf jaar onafgebroken rechtmatig verblijf in Nederland kon aantonen. Eiser betoogde dat hij economisch actief was en dat artikel 8.17, vierde lid, onder c van het Vreemdelingenbesluit 2000 op hem van toepassing was, waardoor de vijfjaarseis niet zou gelden.

De rechtbank oordeelde dat eiser sinds 25 oktober 2016 een afgeleid verblijfsrecht had van een referent die op 5 juli 2019 Nederland verliet, waarmee in principe het verblijfsrecht van eiser eindigde. Hoewel eiser twee jaar onafgebroken verblijf had, had hij niet onderbouwd dat hij zijn werkzaamheden had gestaakt wegens blijvende arbeidsongeschiktheid, zoals vereist onder het genoemde artikel. De stelling dat hij vanaf 5 juli 2019 rechtmatig verblijf had verkregen, werd verworpen.

De rechtbank verwierp ook de vergelijking met een eerdere zaak in Amsterdam, waarin een andere belangenafweging was gemaakt. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag duurzaam verblijf burgers van de Unie is ongegrond verklaard wegens onvoldoende onafgebroken rechtmatig verblijf.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.6905

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. A.A. van Harmelen),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Ercan).

Procesverloop

Bij besluit van 28 oktober 2022 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag tot afgifte van een document ‘duurzaam verblijf burgers van de Unie’, afgewezen.
Bij besluit van 7 februari 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 4 juli 2023 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Waar gaat de zaak over?
1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1957 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Eiser heeft een aanvraag tot afgifte van een document ‘duurzaam verblijf burgers van de Unie’, gedaan. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen, omdat eiser niet vijf jaar onafgebroken rechtmatig verblijf [1] heeft gehad.
Wat vindt eiser in beroep?
2. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Allereerst heeft eiser met de stukken die hij heeft overgelegd wel aangetoond dat hij economisch actief gemeenschapsonderdaan is. Daarnaast geldt de vijf jaar periode niet voor eiser omdat eiser onder artikel 8.17, vierde lid, onder c van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000) valt. Verder vindt eiser dat hij sinds 5 juli 2019 rechtmatig verblijf heeft gekregen. Dit blijkt uit het besluit in primo waarin is aangegeven dat de beschikking geen gevolgen heeft voor het huidige verblijfsrecht. Eiser verwijst hiervoor naar een uitspraak [2] van de rechtbank Amsterdam.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
3. Met ingang van 25 oktober 2016 heeft eiser een afgeleid verblijfsrecht van referent. Referent is op 5 juli 2019 vertrokken uit Nederland. Daarmee eindigt in beginsel het verblijfsrecht van eiser. Niet in geschil is dat eiser niet langer dan vijf jaar onafgebroken verblijf heeft gehad. Eiser doet een beroep op artikel 8.17, vierde lid, onder c van het Vb 2000. De rechtbank is van oordeel dat hoewel eiser twee jaar ononderbroken verblijf in Nederland heeft gehad, hij op geen enkele wijze heeft onderbouwd dat hij zijn werkzaamheden heeft gestaakt als gevolg van blijvende arbeidsongeschiktheid. Het beroep slaagt niet.
4. De stelling van eiser dat hij op 5 juli 2019 rechtmatig verblijf heeft gekregen, volgt de rechtbank niet. Hoewel het slordig is van verweerder om in het primaire besluit op te nemen dat de beschikking geen gevolgen heeft voor het huidige verblijfsrecht, maakt dit niet dat eiser daarmee verblijfsrecht krijgt. Uit het gehele besluit blijkt immers duidelijk dat eiser geen rechtmatig verblijf meer heeft, omdat zijn referent met ingang van die datum is vertrokken uit Nederland.
5. Voor zover eiser heeft betoogd dat er sprake is van gelijke gevallen met de zaak uit Amsterdam volgt de rechtbank eiser daarin niet. In die zaak had verweerder in het kader van de belangenafweging bepaald dat artikel 8.13 van het Vb 2000 ook na het vertrek van referent op eiseres van toepassing blijft. Hiervan is in deze zaak geen sprake.
Wat is de conclusie?
6. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, rechter, in aanwezigheid van mr. R.S. Ouertani, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Op grond van Richtlijn 2004/38.
2.Zie de uitspraak van 14 januari 2020 van de rechtbank Amsterdam, ECLI:NL:RBDHA:2020:1229.