ECLI:NL:RBDHA:2023:14299
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag duurzaam verblijf burgers van de Unie wegens onvoldoende onafgebroken verblijf
Eiser, een Marokkaanse staatsburger, heeft een aanvraag ingediend voor een document duurzaam verblijf burgers van de Unie. Verweerder wees deze aanvraag af omdat eiser niet vijf jaar onafgebroken rechtmatig verblijf in Nederland kon aantonen. Eiser betoogde dat hij economisch actief was en dat artikel 8.17, vierde lid, onder c van het Vreemdelingenbesluit 2000 op hem van toepassing was, waardoor de vijfjaarseis niet zou gelden.
De rechtbank oordeelde dat eiser sinds 25 oktober 2016 een afgeleid verblijfsrecht had van een referent die op 5 juli 2019 Nederland verliet, waarmee in principe het verblijfsrecht van eiser eindigde. Hoewel eiser twee jaar onafgebroken verblijf had, had hij niet onderbouwd dat hij zijn werkzaamheden had gestaakt wegens blijvende arbeidsongeschiktheid, zoals vereist onder het genoemde artikel. De stelling dat hij vanaf 5 juli 2019 rechtmatig verblijf had verkregen, werd verworpen.
De rechtbank verwierp ook de vergelijking met een eerdere zaak in Amsterdam, waarin een andere belangenafweging was gemaakt. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag duurzaam verblijf burgers van de Unie is ongegrond verklaard wegens onvoldoende onafgebroken rechtmatig verblijf.