ECLI:NL:RBDHA:2020:1229
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toekenning duurzaam EU-verblijfsrecht na echtscheiding ondanks vertrek referent
Eiseres, van Filipijnse nationaliteit, had EU-verblijfsrecht op grond van artikel 8.13 Vb 2000 bij haar Poolse echtgenoot, geldig tot 18 juli 2018. Na beëindiging van het huwelijk en vertrek van de referent, werd haar aanvraag voor duurzaam EU-verblijfsrecht afgewezen omdat verweerder stelde dat het rechtmatig verblijf was geëindigd op 25 mei 2016.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht afging op de uitschrijving uit de Basisregistratie Personen en dat het vertrek van de referent op die datum mocht worden aangenomen. Echter, de rechtbank stelde vast dat eiseres aansluitend rechtmatig verblijf is toegekend op grond van artikel 8.13 Vb 2000, en dat zij voldoet aan de voorwaarden van artikel 8.15, vierde en vijfde lid, vanwege het langdurig huwelijk en voldoende bestaansmiddelen.
Daarom had verweerder de aanvraag om duurzaam EU-verblijfsrecht niet mogen afwijzen. Het beroep is gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en verweerder opgedragen binnen vier weken een nieuw besluit te nemen. Tevens is verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en verweerder wordt opgedragen binnen vier weken een nieuw besluit te nemen waarbij duurzaam EU-verblijfsrecht wordt toegekend.