Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
10 maart 2021 intrekt en er opnieuw op eisers bezwaar beslist zal worden.
Overwegingen
a.de vreemdeling verblijft ten minste vijf jaar al dan niet rechtmatig in Nederland;
b.er is sprake van medische klachten waarvan de behandeling niet in het land van herkomst, of een ander land waar de vreemdeling naar kan vertrekken, kan plaatsvinden;
c.stopzetting van de medische behandeling veroorzaakt een medische noodsituatie; en
d.de medische behandeling vindt ten minste één jaar plaats.
a.de vreemdeling is in Nederland;
b.er is sprake van medische klachten waarvan de behandeling niet in het land van herkomst of een ander land waar de vreemdeling naar kan vertrekken, kan plaatsvinden;
c.stopzetting van de medische behandeling veroorzaakt een medische noodsituatie; en
d.de medische behandeling ter voorkoming van het ontstaan van deze medische noodsituatie zal naar verwachting langer dan één jaar duren.
a.de vreemdeling verblijft langdurig in Nederland op grond van artikel 8, aanhef en onder a tot en met e, dan wel l, Vw; en
b.de vreemdeling ondergaat in Nederland een medisch noodzakelijke behandeling.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarin de ingangsdatum van de verblijfsvergunning is bepaald op 28 april 2021;
- bepaalt 11 september 2019 als de ingangsdatum van eisers verblijfsvergunning;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.674,-