ECLI:NL:RBDHA:2023:14162
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen feitelijke uitzetting naar Marokko
Verzoeker is op 29 oktober 2022 een terugkeerbesluit en een inreisverbod opgelegd, welke op 17 november 2022 en 12 december 2022 door hogere bestuursrechters zijn bevestigd. Op 15 september 2023 is verzoeker geïnformeerd over zijn uitzetting op 21 september 2023 naar Marokko. Verzoeker maakte op 19 september 2023 bezwaar tegen de feitelijke uitzetting en vroeg om een voorlopige voorziening.
Verzoeker stelde een afgeleid verblijfsrecht te hebben op grond van een nichtje met de Spaanse nationaliteit en dat een aanvraag voor toetsing aan het EU-recht was ingediend. Deze aanvraag kon echter niet worden overlegd en verweerder erkende deze niet. De rechtbank oordeelt dat verzoeker onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij procedureel rechtmatig verblijft.
De voorzieningenrechter verwijst naar eerdere jurisprudentie dat bezwaar tegen feitelijke uitzetting beperkt is tot de wijze van uitvoering of nieuwe feiten die de rechtmatigheid in twijfel trekken. Verzoeker heeft geen nieuwe of relevante feiten aangevoerd. Daarom is geen grond voor het oordeel dat de uitzetting onrechtmatig is.
Gelet op het voorgaande wijst de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening tegen feitelijke uitzetting is afgewezen.